Voedselbewuste Duitsers in rep en roer

Het dioxineschandaal in Duitsland breidt zich steeds verder uit. Politiek en landbouwautoriteiten zijn haastig op zoek naar de bron van de dioxine die is opgedoken in eieren.

Joost van der Vaart

In de eierenhoek van een Biocompany-vestiging in Berlijn heerst verwarring. Twee klanten zoeken vergeefs naar nadere productinformatie. „Geen woord over dioxine. Ze hadden wel eens een briefje mogen ophangen”, zegt een vrouw teleurgesteld. Een medewerkster verschaft een medewerkster na enige tijd duidelijkheid. Ze zegt stellig: „onze biologische eieren zijn niet getroffen door het dioxineschandaal. Geen van de gesloten boerderijen is een biobedrijf.”

Duitsland is in rep en roer door een affaire met dioxine in veevoervet. Het aantal getroffen boerenbedrijven blijkt groter dan eerder aangenomen. De hoeveelheid verontreinigd vet die in omloop is gebracht – eerst nog geschat in kilogrammen – gaat nu al in de richting van de drieduizend ton. 150.000 ton veevoer zou verontreinigd zijn. Bij de onderneming die primair verantwoordelijk wordt gehouden voor de rel, een vetproducent in Sleeswijk-Holstein, is gisteren een inval gedaan door politie en justitie. Landelijke en regionale politici zijn eerder teruggekomen van kerstreces.

Het land van het Reinheitsgebot voor bier, van de keurstempels die het Deutsche Institut für Normung (DIN) verschaft, van de eindeloze regels en kwaliteitsvoorschriften – Duitsland staat voor de vraag hoe het mogelijk is dat een giftige stof als dioxine kennelijk ongecontroleerd in vet voor veevoer kan raken en uiteindelijk in het eitje van de argeloze consument belandt.

Waarmee de dioxinekwestie hogere politiek is geworden. Duitsers zijn als weinig andere volkeren ten zeerste gepreoccupeerd met hun gezondheid. De schuldvraag wordt meteen gesteld – en die van de politieke verantwoordelijkheid ook.

Bij de getroffen boeren is het drama het grootst. Ruim meer dan duizend landbouwbedrijven in Noord-, West- en Oost-Duitsland zijn op last van de landbouw- en voedselautoriteiten tot nader order stilgelegd. De veehouders hebben zonder het te weten verontreinigd voer gebruikt voor hun pluimvee of varkens. „Een week sluiting kan een omzetverlies betekenen van tienduizenden euro’s”, schat secretaris Helmut Born van de Duitse boerenbond.

Een van de weinige boeren die iets over de dioxinezaak kwijt willen, is varkens- en pluimveehouder Jürgen Seeger uit Grossenkneten bij Oldenburg, in de zwaar getroffen deelstaat Nedersaksen. Hoewel zijn bedrijf niet ‘besmet’ is verklaard, is hij bang voor reputatieverlies. „Natuurlijk reageert de consument. Dat was ook zo met de BSE, de vogelgriep en de varkenspest. Met de dioxine zal het niet anders zijn”, zei hij gisteren tegen het Duitse persbureau DPA. Collega’s van Seeger die hebben moeten sluiten, mogen tot nader order geen eieren en kippen-, kalkoen- of varkensvlees verkopen. „Dat is heel hard. Dat hou je een paar dagen uit, maar langer niet”, aldus boer Seeger.

Voorzover nu valt te overzien is de voorlopige hoofdschuldige in het Duitse dioxinedrama de firma Harles & Jentzsch, fabrikant van oliën en voedervetten in Uetersen in de deelstaat Sleeswijk-Holstein. Het heeft er de schijn van dat men daar ten onrechte heeft aangenomen dat zogeheten mengvetten die vrijkomen bij de productie van biodiesel, geschikt zijn om in veevoer te worden verwerkt. Harles & Jentzsch kwam er vorige week zelf achter dat ‘technisch’ of ‘mechanisch’ vet, met daarin vermoedelijk dioxine, vermengd is geraakt met plantaardig vet.

Het bedrijf heeft vervolgens aangifte gedaan. Aangenomen mag worden dat verontreinigd vet gedurende langere tijd in veevoer is verwerkt. Harles & Jentzsch had zijn vet betrokken van de Nederlandse handelaar Olivet uit Poortugal bij Rotterdam, die het op zijn beurt had gekocht van de Duitse biodieselfabrikant Petrotec AG, met vestigingen in Emden en Borken.

Petrotec bevestigde eergisteren dat het vetten aan het Nederlandse Olivet heeft geleverd, maar stelde met nadruk dat die bestemd waren voor technisch gebruik en niet voor de levensmiddelen- of veevoerindustrie.

De voorzitter van de Duitse vereniging voor ecologische diervoeding, Rudolf Joost-Meyer zu Bakum, laakt de wat hij noemt „ondoorzichtige handel in vet”. In de Tageszeitung zegt hij dat het gesleep met het vet van Emden (Petrotec) naar Nederland (Olivet) en vandaar naar Sleeswijk-Holstein (Harles & Jentzsch) „de kern van het probleem” is. „Als de veevoerfabrikant aan het einde van de keten had geweten dat de vetten afkomstig waren van een biodieselfabriek, was de alarmbel gaan rinkelen. Dan had men op z’n minst om een dioxineanalyse gevraagd. Omdat de herkomst van het vet versluierd is geraakt, zijn bij de veevoerfabrikant geen bedenkingen gerezen. De moeilijkheid zit ‘m in de anonimiteit van het handelsverkeer.”

Anders gezegd: biodieselmaker Petrotec AG in Emden had herkenbaar moeten blijven als de hoofd-vetleverancier in deze zaak. Indirect oefent de Duitse minister van landbouw en consumentenzaken, Ilse Aigner, kritiek uit op ondernemingen als Petrotec en Harles & Jentzsch. Vandaag dreigt ze de industrie scherpere eisen te zullen opleggen. „Het is de vraag of het niet een te groot risico is als bedrijven die bestanddelen voor veevoer leveren, tegelijk technische producten verkopen die onder geen enkele omstandigheid in levensmiddelen of veevoer mogen komen.”