Schaatsers die zich wapenen tegen de elementen

Morgen begint in het Italiaanse Collalbo het EK allroundschaatsen. Op een buitenbaan, met alle risico dat weersinvloeden de titelstrijd hinderlijk zullen beïnvloeden. „Dit is niet meer van deze tijd.”

Eindelijk zou Yep Kramer zijn eerste internationale schaatstoernooi winnen, het EK van 1983 op de Haagse Uithof. Eindelijk uit de schaduw van Hilbert van der Duim, zijn Friese kernploeggenoot die al zoveel titels won. Een straffe zuidwester blies zand op het ijs en schaatsers uit de bocht. Hagel en natte sneeuw zorgden voor eindeloze dweilpauzes. Op Kramer kreeg het allemaal geen vat. Degelijke sprint, uitstekende 5.000 en 1.500 meter. In de ijshockeyhal naast de baan warmden duizenden toeschouwers zich met Beerenburg en André Hazes op voor de afsluitende tien kilometer. De populaire underdog Kramer op weg naar de Europese titel. Feest.

Tot de ijsmeesters besloten om de besneeuwde baan te schaven in plaats van te vegen. IJs stroef, Kramer kansloos. En omdat de Noorse favoriet Bjørn Nyland werd getroffen door een hoosbui, ging de titel toch naar Van der Duim. „Voor Kramer was het natuurlijk dramatisch”, zegt voormalig kernploegcoach Henk Gemser over de vader van Sven, wiens beeltenis uit 1983 nog altijd prominent de inmiddels overkapte Uithof siert. „Yep was favoriet, totdat het ineens honden en katten ging sneeuwen en regenen. Verschrikkelijk, heel sneu voor die jongen. Maar in die tijd wisten we niet beter.”

Vanaf morgen strijden de allroundschaatsers in het Italiaanse Collalbo drie dagen lang om de Europese titel voor vrouwen en mannen. Toch weer op onoverdekt buitenijs, net als destijds in Den Haag. Sinds eind jaren tachtig is het aantal overdekte ijsbanen gestaag gegroeid, met Astana en Inzell als jongste parels in de kroon. Toernooien als het EK en WK allround, de WK sprint en de WK afstanden zijn zelden nog buiten. Zelfs wereldbekerwedstrijden vinden al drie jaar uitsluitend binnen plaats, na fiasco’s met het weer in Inzell (2005) en Baselga de Pinè (2008). Het laatste grote toernooi buiten was het EK van vier jaar geleden, eveneens in Collalbo. Met Sven Kramer, dit keer geblesseerd afwezig, en de Tsjechische Martiná Sáblíková als kampioenen.

Gemser vindt dat de internationale schaatsunie (ISU) met het huidige aanbod van ijshallen eigenlijk geen internationale topwedstrijden meer moet organiseren op een buitenbaan. „De ISU spreidt de toernooien om de leden ten dienste te zijn. Dat was soms prachtig, zoals in 2001 met het kasteel bij de baan in Boedapest (waar volgend jaar het EK wordt gehouden). Feeëriek, schitterende plaatjes. Maar ik vind het naar de professionele sporter eigenlijk niet meer van deze tijd. Die risico’s van weersveranderingen zijn voor mij echt een overweging om alles indoor te doen.”

Zelf maakte hij als assistent van kernploegcoach Leen Pfrommer de tijd nog mee dat het weer besliste over olympisch succes. „Jan Bols en Kees Verkerk werd een medaille onthouden omdat de baan verkeerd was verzorgd”, zei Ard Schenk later over zijn zege op de vijf kilometer in Sapporo 1972. Schaatsers gokten of ze in de eerste of laatste ritten zouden starten. In 1977 hoefden ze helemaal niet meer te rijden, toen het befaamde olie-ijs in Davos was weg gedooid voor het WK allround. Eric Heiden rustte een week uit van overtraindheid en won een week later in Heerenveen zijn eerste wereldtitel. Op dezelfde baan van Thialf waar hij in 1980, kort na zijn vijf gouden medailles van Lake Placid, juist het WK verloor door een plotseling opkomende storm.

In de jaren tachtig bedacht coach Gemser zijn eigen manieren om schaatsers te wapenen tegen de elementen. „Wij hebben met mannen als Hein Vergeer, Van der Duim, Emiel Hopman en Frits Schalij wel geschaatst met -20 graden Celsius, zoals op het EK van 1985 in Eskilstuna. Daar heb ik zelfs mijn Elfstedentochtervaring uit 1963 nog gebruikt. De schaatsers kregen hun verloofden of ouders zover dat ze zeemleer over de onderpakken naaiden, om de warmte binnen te houden, voor de gewrichten.”

Gemser hield voor en tijdens de buitentoernooien ook nauw contact met meteorologen van de vliegbasis Leeuwarden. „Dat was niet te geloven: ze gaven op het uur nauwkeurig aan wanneer het zou beginnen met sneeuwen, of wanneer de windrichting draaide. Zo kon ik de jongens voorbereiden op wat hun te wachten stond.” Maar soms was er geen redden meer aan. „Hein Vergeer moest in 1987 in Trondheim zijn EK-titel opgeven omdat het weer plotseling omsloeg.”

Een jaar later keek de schaatswereld reikhalzend uit naar het allereerste WK ooit op de wonderbaan van Medeo, Alma Ata. Maar de felle zon maakte het ijs vroeg in de middag boterzacht voor de favorieten, zakte daarna weg achter de bergen en zorgde er zo voor dat rijders van het tweede garnituur wel op een snelle baan reden. „Een pure parodie”, oordeelt het boek Schaatsseizoen 1987-1988 over het WK, dat werd gewonnen door de Amerikaan Eric Flaim.

Sinds 1987 (WK Heerenveen) worden de grote toernooien steeds vaker binnen gehouden. Maar de buitentoernooien beklijven, door hun bijzondere verhalen. De flop (vijf kilometer) en top (goud op tien kilometer) van Bart Veldkamp in Albertville ’92. Falko Zandstra die in de sneeuw van Baselga in zijn weggegooide armband stapt en valt. Of het onvergetelijke buitenijs-jaar 2001. Met EK in Baselga, waar Veldkamp op de tien kilometer bijna nog de titel afnam van de Rus Dmitry Sjepel. WK sprint in Inzell, waar favoriet Erben Wennemars te vroeg naar de start reed, door de kou werd bevangen en al na één afstand kansloos was voor de titel. En het sprookjes-WK in Boedapest, waar de oude ijsmachines het gevecht tegen de zon verloren en het toernooi werd uitgesteld naar de avonduren.

Ook bij het EK van 2007 in Collalbo speelden de weersomstandigheden een cruciale rol. Op de vijf kilometer verspeelde Wüst de titel aan Sáblíková. Coach Gerard Kemkers sprak destijds van een „vastloper” – benen die plotseling dienst weigerden. „Ireen heeft één slag, waarin ze een race begint. Daarin wordt de vermoeidheid gaandeweg groter. Als ze last krijgt van een windvlaag, kan ze dat moeilijk opvangen.”

Ook Jan van Veen – bij dit EK coach van Marrit Leenstra, Koen Verweij en Renz Rotteveel – wijst op beperkingen die jongere schaatsers hebben, doordat ze nauwelijks nog op buitenijs trainen. „Als je een smalle basis van schaatsmotorieken hebt, kom je in de problemen met een zijwindje of windvlagen. Dat vereist een aanpassing van je techniek. Dat kan niet iedereen.”

De coach van Hofmeier belegde in december een trainingskamp in Collalbo, onder meer om bij Leenstra slechte herinneringen aan de Italiaanse buitenbaan weg te nemen. Volgens Van Veen zijn schaatsers afkomstig uit het skeeleren, zoals Verweij en Jan Blokhuijsen, in het voordeel. „Skeeleraars moeten reageren op demarrages en rijden vaker buiten. Ze zijn gewend aan wisselingen van tempo en techniek, en kunnen af en toe een extra slag maken.”

Voorspellingen van dooi en neerslag in Collalbo? Van Veen: „Ik vind buitenschaatsen prima. Collalbo is een van de plekken waar je het als eerste zal doen, omdat het weer hier vrij stabiel is. Mij zal je achteraf niet horen.”