Logica toegepast op Mohammed

Gautier Juynboll speurde decennia lang naar de overleveringen van de woorden van Mohammed.

Gautier Juynboll werd in de loop van zijn leven steeds meer een eenling. Een excentrieke Privatgelehrter, die jarenlang elke dag mompelend en snotterend in de leeszaal van de Leidse Universiteitsbibliotheek zat te werken tussen de smalle strookjes papier van zijn eigen kaartsysteem. Hij wijdde zijn leven aan het kritisch onderzoeken van de hadiths, overleveringen over uitspraken en handelingen van de profeet. In 2007 verscheen zijn levenswerk: de Encyclopaedia of Canonical Hadiths. Afgelopen december overleed hij.

Gautier Juynboll wilde weten hoe de Islam ontstond, en vooral wat daarbij de relatie was tussen geschiedenis en legende. Omdat moslims geloven dat de profeet in alles door God werd geleid, zijn de hadiths voor hen bijna zo belangrijk als de Koran. Soms zijn het korte anekdotes, vaker boodschappen van een paar regels. Ze gaan niet alleen over wat is toegestaan of verboden, maar ook over details als op welke zij de profeet bij voorkeur sliep of hoe men zich dient te ontlasten. Het eerste deel van elke hadith wordt gevormd door de zogeheten isnad, de keten van overdragers. Bijvoorbeeld: Qasim zei dat Hassan zei dat hij van Umar hoorde dat Aisha zei; en Piet zei dat Jan zei dat hij van Umar hoorde dat Aisha zei: de profeet zei: ‘wijn is verboden’. Eén hadith kan dus een vertakte isnad hebben, of ook verschillende isnads.

In de negende eeuw waren er al honderdduizenden hadiths in omloop. Konden die allemaal authentiek zijn, vroeg men zich al snel af, ook omdat sommige met elkaar of met de Koran in tegenspraak zijn. Al in de achtste eeuw begon het onderzoek naar hun authenticiteit. De islamitische geleerden keken daarbij vooral naar de geloofwaardigheid van de isnad, dus hoe waarschijnlijk het bijvoorbeeld was dat Hassan Umar had gekend.

De eerste westerse geleerde die hadiths bestudeerde, de Hongaar Ignaz Goldziher (1850-1921), keek vooral naar hun inhoud. Hij concludeerde dat in de eerste eeuwen van de islam, de zevende tot negende eeuw na Christus, veel hadiths moeten zijn verzonnen. Zo werd een hadith waarin de profeet zegt dat een bedevaart naar Jeruzalem zeker zo goed is als naar de andere heilige plaatsen van de islam, de wereld ingestuurd door een sultan die vreesde dat Mekka te machtig werd. Juynboll leerde van islamkenner Joseph Schacht (1902-1969) om net als de klassieke islamgeleerden weer naar de isnad te kijken. Schacht zag dat die vaak zijn terug te voeren tot een common link, de eerste gemeenschappelijke schakel in de keten, zoals Umar in het voorbeeld hierboven.

Op grond van de inzichten van Goldziher en Schacht ontwikkelde Juynboll een methode voor de logische studie van isnads. Hij ontdekte dat common links pas voorkomen in de derde en vierde generatie na de profeet, en niet in de generatie van diens metgezellen. Kennelijk hechtten pas die latere generaties belang aan de isnad. Juynboll leidde af dat vanaf die tijd isnads ook bedacht werden om een hadith extra geloofwaardigheid te verlenen. Dat inzicht is voor de studie van hadiths van groot belang, schrijft Juynbolls grootste criticus, Harald Motzki, hoogleraar methodologie van islamonderzoek in Nijmegen.

Maar Motzki en anderen vonden dat Juynboll zijn scepsis ten aanzien van de authenticiteit van hadiths te ver doorvoerde. Daardoor maakte hij soms vergissingen. Zo vond hij single strand-isnads (ketens die nooit vertakken) onwaarschijnlijk, want een verhaal wordt altijd aan meer mensen doorverteld. Maar het is niet vreemd, vindt Motzki, als van alle mensen die een hadith van een meester hoorden, slechts één hem opschreef, steeds in volgende generaties. Ook een single strand-isnad kan dus best echt zijn.

De term is overigens een van vele termen die Juynboll invoerde voor de historische processen die hij in de ketens van overlevering bestudeerde. Die terminologie is in het vakgebied snel ingevoerd geraakt.

G.H.A. Juynboll was de laatste uit een familie die vanuit Leiden generaties oriëntalisten aanvoerde. De bekendste Juynbolls zijn de theoloog en specialist in semitische talen Th.W.J. (1802-1861), diens zoon A.W.Th. (1833-1887) die zich toelegde op ‘Mohammedaansch recht’ in Indië en Th.W. Juynboll (1866-1948), de schrijver van wat nog altijd een standaardwerk is, de Handleiding tot de kennis van de Mohammedaanse wet. Gautier H.A. – voor Nederlandse vrienden Gual – was oomzegger van de laatste. Hij heeft zijn lichaam ter beschikking van de wetenschap gesteld.