In euforie ontvluchten de zwarten Noord-Soedan

Voor het referendum over de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan keert een stroom ex-vluchtelingen terug. „Zonder ons kunnen ze in het noorden hun huis niet meer schoonmaken!”

„Ik ben blij en eindelijk vrij”, roept Malek Alel uitbundig. De groep Zuid-Soedanezen jubelt met hem mee. Ze zijn uitgeput en hongerig, na vele dagen reizen, opeengepakt in vrachtauto’s. Ze trokken de afgelopen weken weg uit de hoofdstad Khartoum in Noord-Soedan om na vele jaren ballingschap terug te keren in Zuid-Soedan 45 kilometer van het stadje Aweil.

„Er komt nu eindelijk een einde aan de kolonisatie van het zuiden.” Opnieuw juichen alle Zuid-Soedanezen. Dan gaan ze naar de voedseldistributie van de Verenigde Naties onder de mangoboom.

De vreugde onder de vluchtelingen lijkt vreemd. Want ze vertellen over wraakacties tegen hen in het noorden, sinds de regering van Zuid-Soedan hen in november opriep naar huis terug te keren voor het referendum over onafhankelijkheid zondag.

Er leven sinds het begin van de tweede ronde van de noord-zuidoorlog in 1983 een geschatte twee miljoen zwarte zuiderlingen in het gearabiseerde noorden, waar zij de laagst betaalde baantjes doen en in vervallen buurten en kampen wonen.

Honderdduizenden kwamen naar huis sinds de vredesovereenkomst in 2005 en de afgelopen weken arriveerden er opnieuw meer dan honderdduizend.

In Aweil, hoofdstad van Noord Bahr al-Gazal, verwachten de autoriteiten alleen al in deze deelstaat nog eens negentigduizend terugkerende zuiderlingen in de komende dagen. Buitenlandse hulporganisaties voerden in geheel Zuid-Soedan extra voedsel en personeel aan om te anticiperen op een noodsituatie.

Het in 1955 begonnen conflict tussen het gearabiseerde noorden en het niet-islamitische zwarte zuiden heeft altijd een sterke raciale ondertoon gehad. De teruggekeerde zuiderlingen uitten onbeschaamd woede en haat. „Ik ga nooit meer terug, ik wil nooit meer iets met de Arabieren te maken hebben, ze behandelen ons niet als mensen”, zegt het stamhoofd Deng Ngor Avang.

Hij maakt een wurgbeweging rond zijn nek op de vraag wat hij de Noord-Soedanezen toewenst. „We kunnen nu eindelijk apart van hen leven.”

De teruggekeerde vluchtelingen spreken over treiterijen in de afgelopen weken, ze vertellen te zijn aangevallen, of in Khartoum of op hun lange terugtocht zuidwaarts. Een man laat zien waar hij op zijn rug is gegeseld, een vrouw zegt dat ze al haar bezittingen in Khartoum moest achterlaten.

„Wat doen jullie hier nog als jullie onafhankelijkheid wensen, ga naar jullie eigen mensen, maar jullie spullen blijven hier”, zeggen ze van de noorderlingen te horen.

Het lijkt bovenal angst dat hen op de vlucht dreef, angst veroorzaakt door uitspraken van sommige ministers in het noorden. Zij waarschuwden dat de zuiderlingen in het noorden straks statenloos zullen worden, zonder recht op gezondheidszorg en scholing.

Sussende woorden in de afgelopen dagen van de Soedanese president Omar al-Bashir dat na de scheiding de twee staten als broeders met elkaar zullen omgaan, konden die angst niet verdrijven.

Het krom getrokken lichaam van de oude Azhef Amei Rhec schudt van het lachen. Ze vertelt hoe ze in het holst van de nacht drie weken geleden stiekem het huis van haar baas in Khartoum verliet. Om nooit meer terug te komen.

Ze werkte bij hem in de huishouding sinds de vijftien jaar geleden de oorlog in het zuiden ontvluchtte. „Ik ontving nooit een salaris, de enige beloning was een hap eten. En hij verdiende een goed salaris op het ministerie van Financiën.”

Opgewonden zwaait ze haar handen in de lucht en zegt: „Nu kan hij zijn huis niet meer schoon houden zonder werk door zwarten zoals wij.” En iedereen schaterlacht mee.

De euforie verdringt de werkelijkheid. Een deel van de vluchtelingen kwam terug in een operatie van de zuidelijke overheid. Die huurde vrachtwagens van noorderlingen om hen terug te brengen, het zuiden heeft nauwelijks vervoersmiddelen.

De wegen rond Aweil, dat op 200 kilometer van het noorden ligt, worden aangelegd door een noordelijk bedrijf. In het uiterste zuiden rond de hoofdstad Juba komen alle producten uit Oeganda en Kenia, maar in Aweil is vrijwel alle handel met het noorden.

De spoorlijn, de enige in het zuiden, loopt noordwaarts. Toch zegt Azhef Amei Rhec: „Als er alleen noordelijke zeep op de markt van Aweil ligt, dan was ik me niet meer, ik gebruik alleen zeep uit het zuiden”. En een oude man valt haar bij: „Als mijn zoon in het noorden werk gaat zoeken, onterf ik hem.”

De 47 jaar oude John Akot vertelt dat hij de weg kwijt is. „In vijfentwintig jaar is alles zo veranderd. Mijn huis staat er niet meer, mijn akker is door anderen ingenomen”. Zijn nu twintig jaar oude zoon Daniel werd in Khartoum geboren. „Ons leven was er moeilijk, maar ik kon naar school. Waar is hier de school?” vraagt Daniel.

Zuid-Soedanezen hunkeren naar onderwijs, maar in hun toekomstige vaderland telt een gemiddelde schoolklas meer dan honderd leerlingen. En in het noorden wordt in het Arabisch les gegeven, in het zuiden in het Engels.

„Mijn andere twee kinderen bleven in Khartoum achter, ze zeggen dat het leven daar beter is, want ze kunnen er onderwijs volgen”, zegt John Akot op gedempte toon om het feestgevoel bij de omstanders niet te verzuren.

Machar Malong van de VN deelt voedsel uit. „Het was beter geweest als ze druppelsgewijs waren teruggekomen”, zegt hij. „We dreigen overspoeld te raken. De volgende oogst is pas in september, hoe kunnen ze zichzelf voeden?” Toch wanen de vluchtelingen zich heel even in een paradijs. „Het wordt een taai bestaan. Ze zullen hard moeten werken om er werkelijk een paradijs van te maken. Maar ze zijn in ieder geval weer thuis.”