Het depressieve zebravisje en Prozac

Een van de zebravisjes die voor biomedisch onderzoek gebruikt werden, bleek depressief. Een Amerikaanse onderzoeker strooide Prozac in het aquarium, en het visje begon weer vrolijk te zwemmen.

Hij heeft zeker zo’n duizend zebravisjes in aquariums en laboratoriumbakjes, neurologisch onderzoeker Herwig Baier van de Universiteit van Californië in San Diego. Hij gebruikt ze als proefdieren voor onder meer oogonderzoek.

Het viel hem op dat één zebravisje ‘niet helemaal goed’ was. Het apart gehouden diertje lag op de bodem van zijn waterbak en staarde maar wat.

Nu geldt voor een zebravisje als proefdier, dat het in de ogen van wetenschappers ‘goed’ met je gaat, als je je van alles laat welgevallen. Dus medisch onderzoek ondergaan en gewoon doorleven en -zwemmen. Of ondanks ingrepen in je leven zoals scheiding van groepsgenoten en eenzame opsluiting ook monter blijven doorzwemmen. Dat is goed, zo horen zebravisjes te zijn, en dat is handig voor onderzoek.

Maar dit visje had er genoeg van. Het lag lusteloos op de bodem van zijn kale, net te kille bakje, starend in een toekomst die alleen maar meer van hetzelfde zou brengen. Het zat in een zwart gat. Als Baier weer andere vissen bij hem plaatste, leefde het sombere visje direct weer op. Het zwom met de anderen mee, steeds levendiger. Zo monter dat je helemaal niet kon zien dat dit eigenlijk geen goed visje was. De onderzoeker was nieuwsgierig en zette het visje weer apart. En gaandeweg werd het zebravisje weer somber. Het bewoog uiteindelijk helemaal niet meer en lag op de bodem. Toen begon Baier met experimenten. Hij mengde wat van het antidepressivum Prozac (fluoxetine) door het water. En al gauw was het visje weer monter aan het zwemmen. Het leek wel een gelukkig visje. Of toch niet helemaal, want gelukkige visjes zijn erg levendig, en dit visje zwom enigszins werktuigelijk.

Maar toch. Het werd gezien als een doorbraak. De onderzoeker ging door met experimenteren. Hij stopte met het toedienen van Prozac – en het visje werd weer somber en ging stilliggen. Na die terugval diende Baier andere middelen toe – van verwante stoffen tot louter kalmerende middelen. En haast alles hielp: het zebravisje werd monterder. Baiers diagnose is dan ook: dit zebravisje leed meer onder langdurige stress dan zijn gemiddelde medevis. Zijn vissenhersens maken niet genoeg antistressstoffen aan. Inmiddels heeft Baier met zijn medewerkers in het lab hele generaties van nakomelingen van dit speciale deprivisje geweekt, om verder onderzoek te kunnen doen. Want, zei Baier eind vorig jaar: „Er is veel literatuur over de relatie tussen chronische stress en depressie, maar een causaal verband is onbekend. We kunnen dit nu in vissen simuleren en het bestuderen.” Hij hoopt zo inzicht in neurologische mechanismen te krijgen, die vergelijkbaar zijn met die van mensen. En daaruit zouden nieuwe antipressiemiddelen kunnen worden ontwikkeld.

Een nieuw proefdier is dus geboren, het deprivisje -- en dat terwijl er nog mensen zijn die beweren dat vissen geen gevoel hebben. Maar zoals somberaars zullen vaststellen: de deprimerendste dag van het jaar, 3 januari, is al weer voorbij, zonder nader opbeurend nieuws uit het anti-deprivissenlab.