Fatima en de professor

Ooit van M. Chladenius gehoord? Ik niet, althans tot voor kort. Maar in de onlangs verschenen ‘intellectuele biografie’ van H. R. Hoetink door prof. P. B. M. Blaas (uitg. Verloren, Hilversum) kwam ik die naam tegen. De eminente jurist Hoetink (1900-1963), die een polyhistor was, een echte lettré, was die 18de-eeuwse historicus op het spoor gekomen.

In de Winkler Prins Encyclopedie staat Chladenius niet, ook niet onder zijn eigenlijke naam: Chladni. Wél daarentegen een andere Chladni (Ernst Florens Friedrich), waarschijnlijk zijn neef of kleinzoon, die wel de grondlegger der leer van het geluid wordt genoemd (1756-1827).

Maar ook de oudere Chladni of Chladenius had zijn verdiensten. Uit Blaas’ boek over Hoetink maak ik op dat hij de eerste historicus was die „geen onderscheid maakte tussen geschiedenis als werkelijkheid en de ‘voorstelling’ ervan. Tevens wilde hij beklemtoond zien dat het erop nahouden van een ‘Sehepunkt’ niet gelijkstond met partijdigheid.”

Dit laatste is mij uit het hart gegrepen. Het dient tevens als een omweg naar mijn ‘Sehepunkt’ op de existentiële crisis waarin de PvdA zich thans bevindt. Mij wordt daar wel leedvermaak over verweten. Leedvermaak? Ik heb weliswaar een te weinig hoge dunk van de mens om de socialistische idealen te delen, maar acht een gezonde sociaal-democratie een wezenlijk onderdeel van ons bestel.

Daarom maak ik mij er eerder zorgen over dat de PvdA haar oorspronkelijke aanhang, de ‘onderkant’, aan het verliezen is. Die heeft zich, grotendeels dankzij de PvdA, geëmancipeerd; dat wil zeggen: zich ook losgemaakt van de voogdij van de partij, en is eigen richtingen opgegaan, ook naar Wilders – direct of via de SP.

In Trouw van 22 december spreekt Lex Oomkes terecht van een „bedreiging van het naakte voortbestaan als sociaal-democratische partij”, dus eveneens van een „existentiële vraag” – een vraag die niet alleen de PvdA aangaat, maar allen die prijs stellen op een enigszins stabiel politiek bestel. Wie immers vult de gaten die de PvdA achterlaat?

Tot dusver heeft de PvdA daar geen antwoord op. In Trouw van 21 december wordt de voorzitter van de partij, Lilianne Ploumen, als volgt geciteerd: „We willen een partij zijn voor zowel de hoogleraar in Tilburg als Fatima in Slotervaart, een brede volkspartij die een brug slaat tussen de onderkant van de samenleving, de middengroepen en de intellectuele elite.”

Mooi gezegd, maar er blijven nog een paar vragen. Ploumen noemt Fatima (kennelijk als symbool voor de ‘onderkant’), maar Jan, Piet en Klaas, die ook tot de ‘onderkant’ behoren, noemt zij niet. Gelden die al als verloren – aan Wilders?

Tweede vraag: spreekt de PvdA dezelfde taal tot Fatima als tot de hoogleraar? En met taal bedoel ik niet: Marokkaans of Nederlands, maar wordt zij even goed begrepen door Fatima als de hoogleraar? Anders gezegd: is er wel een brug te slaan tussen die twee? Dat is al moeilijk genoeg tussen de hoogleraar en de laagopgeleide Jan, Piet en Klaas, die allen Nederlands spreken.

Nee, met zo’n doelstelling uit een ver verleden redt de PvdA het niet. Wie is daar nog warm voor te krijgen? Ze doet veel denken aan de beginjaren van de PvdA, toen zij in 1946 van arbeiderspartij, de SDAP, tot Partij van de Arbeid werd, teneinde ook anderen, christenen en vrijzinnig-democraten, te omhelzen. Dat was de schepping van dominee W. Banning, die zijn stempel dan ook drukte op het beginselprogramma van de nieuwe partij.

Dominee Banning scheen helemaal vergeten te zijn, want met de opkomst van Nieuw Links in de jaren 60 en 70 wilde de PvdA weinig meer weten van haar christelijke oorsprongen. Toen „is er veel verloren gegaan. Met Nieuw Links trad de generatie aan die verse herinneringen aan het gezag van de kerk had en daar afstand van nam” (volgens mij eerder een ex-katholieke dan een ex-protestantse generatie).

Dit zegt Joop van den Berg, oud-hoogleraar politieke geschiedenis en oud-lid van de Eerste Kamer voor de PvdA, in een door Marcel ten Hooven geredigeerd boekje: U bevindt zich hier: oriëntaties op maatschappij, politiek en religie (uitg. Boom, Amsterdam). In dit verband memoreert hij ook Banning, „die respect vroeg voor de zingevingsvragen die het christendom stelt”.

Die verwaarlozing van de religieuze factor door de PvdA wreekt zich nu, aldus Van den Berg. Hij heeft het over de „gruwelijke schrik, toen we ons na de aanslagen van de elfde september (2001) plotsklaps realiseerden dat God weliswaar uit Jorwerd is verdwenen, maar Allah met honderdduizenden in de grote steden is binnengetrokken. Daar hadden we helemaal niet op gerekend.” Ja, op de christenen mag je smalen, maar op de moslims niet. Je zou eens voor een PVV’er of, erger, een racist aangezien worden!

Dat tekent de dubbelheid van veel progressieven. Nieuw Links (dat zich overigens niet sociaal-democraat, maar socialist noemde) heeft veel op zijn geweten – misschien zelfs de ondergang van de partij. Hoe dit ook zij, het blijkt dat, zoals Van den Berg zegt, „de sociaal-democratie in verwarring is over de rol van religie in de moderne samenleving”. Maar met taal die aan Banning herinnert, bereikt zij Fatima niet en schrikt zij de Tilburgse hoogleraar waarschijnlijk af.