De intolerante islam groeit in Pakistan

Verarmde Pakistanen voelen zich in de steek gelaten. Ze zien de VS en hun eigen overheid als vijand. Vandaar de tevredenheid over een politieke moord, betoogtJan Breman.

De gouverneur van Punjab, het politieke hart van Pakistan, is eergisteren doodgeschoten door een van zijn lijfwachten. Salman Taseer werd vermoord om zijn kritiek op de Blasfemiewet, waarmee Zia-ul-Haq in de jaren tachtig een religieuze wending had gegeven aan zijn militaire dictatuur. Zia-ul-Haq bracht de Mujaheddin-beweging op gang, die ten strijde trok, bewapend en betaald door de Amerikanen, tegen het goddeloze Sovjetleger in Afghanistan.

De Blasfemiewet is sindsdien gebruikt om tegenstanders van een militant-fundamentalistische islam het zwijgen op te leggen. Zoals Asia Bibi, een eenvoudige boerenvrouw van christelijke huize, die bij een ruzie op het veld de naam van de Profeet zou hebben onteerd. Beschuldigd van heiligschennis is zij ter dood veroordeeld, een vonnis dat zal worden voltrokken als het wordt bevestigd in hoger beroep. Niet de vrouw, maar de wet overtreedt de code van goed gedrag, zei de gouverneur, die zijn moedige voorstel om het blasfemieverbod te hervormen, heeft moeten bekopen met zijn leven.

De islam munt niet uit door verdraagzaamheid en respect voor andere godsdiensten. Het is niet moeilijk voor die stelling bewijsmateriaal te vinden in alle samenlevingen waar deze godsdienst zich een dominante positie heeft verworven, van Indonesië via het Midden-Oosten tot Nigeria.

Daarbij moet wel worden bedacht dat behalve aanhangers van andere geloven – hindoes, boeddhisten, bahai en christenen van divers pluimage – ook minderheidsstromingen binnen de eigen gezindte blootstaan aan fanatieke vervolging. Bovendien is godsdienstige intolerantie geenszins een kenmerk waarmee de islam zich onderscheidt van andere wereldgodsdiensten. In de loop van mijn antropologische veldwerk in diverse delen van Azië ben ik geregeld gestuit op steile predikers van ‘het ware geloof’. Het waren soms sektarische christenen, ingevlogen uit Korea, Japan of rechtstreeks uit de Amerikaanse bible belt, boeddhistische lekenpriesters of hindoeactivisten, die geen andere leer dulden dan de eigen.

Gebruik van geweld wordt daarbij niet altijd geschuwd. Zo was ik in het voorjaar van 2002 in de Indiase deelstaat Gujarat getuige van een haatzaaicampagne van staatswege, waarbij in steden en dorpen enkele duizenden moslims werden afgeslacht omdat zij moslims waren.

De vervreemding die inherent is aan het mondialiseringsproces, dat zich in versneld tempo doorzet, lijkt te appelleren aan een godsdienstig verlangen naar ‘oorspronkelijke’ zuiverheid en gescheidenheid, een reveil dat geen ruimte laat voor vermenging tot een land met verschillende geloven. Zo heb ik, ook in Pakistan, de omvorming gadegeslagen van wat een volksgodsdienst met een sterk soefistische inslag was naar een wahabitische doctrine, aan de man gebracht met geld en kennis uit Saoedi-Arabië. Wat voor terugkeer naar eigenheid doorgaat, is juist verlies eraan, de vervanging van wat al bestond, door een strenge heilsleer die wordt gepropageerd van buitenaf.

De opkomst van godsdienstig fundamentalisme staat ook in Pakistan ten dienste van politieke doeleinden en is sterk bevorderd vanuit partijen en voormannen die een islamisering voorstaan van de samenleving. De uitwerking van de aanslag moet daarom worden beoordeeld in het licht van de diepe crisis waarin het land verkeert. De terreurdaad komt slechts enkele dagen nadat de regering haar parlementaire meerderheid heeft verloren. Twee van de coalitiegenoten zijn overgelopen naar de oppositie, waardoor de toch al zwakke positie van premier Gilani en president Zardari nog verder aan het wankelen is gebracht.

In de ogen van velen is de aanslag een daad van verzet, waarvoor op Facebook al vele honderden blijken zijn verschenen van voldoening en bijval met de moordenaar. Die reacties laten zich alleen begrijpen door vast te stellen dat in dit land met 180 miljoen inwoners een toestand van oorlog is ontstaan, waarbij de leiding van de staat zich ziet gesteld tegenover een groeiend deel van de bevolking dat elk vertrouwen in de overheid heeft verloren. De blijken van burgerlijke ongehoorzaamheid en ontrouw dateren niet van gisteren, maar zijn de uitkomst van een regime dat zich sinds de onafhankelijkheid op geen enkele wijze heeft ingespannen om verbetering te brengen in het lot van de gewone man. De extreem ongelijke verdeling van eigendom en macht, zowel in de steden als op het platteland, heeft een politiek-economisch bestel opgeleverd waarin de bevoorrechting van een vrij kleine elite schril afsteekt tegen de uitsluiting van een enigszins fatsoenlijk bestaan voor een erg grote onderlaag. Het is niet een godsdienstige heilsverwachting die steeds meer mensen ertoe brengt de kant van de Talibaan te kiezen, maar hun maatschappelijke marginaliteit die doorslaat in regelrechte verpaupering.

Pro-Talibaan dus, maar waarom anti-westers? Ook dat gevoel is wijdverbreid. Alweer, de oorzaak ervoor ligt in een verleden waarbij vanuit het Westen een opmerkelijk begrip is getoond voor het gareel van onvrijheid, ongelijkheid en rechteloosheid waarin de bevolking gevangen is gehouden, terwijl het nooit heeft ontbroken aan steun uit het buitenland voor de leidende kaste – tot op de dag van vandaag.

Deze vijandige sentimenten worden gevoed door de dagelijkse berichtgeving over het aantal slachtoffers dat valt door drones, de onbemande vliegtuigen waarmee de Amerikanen in de grensstreken tussen Pakistan en Afghanistan hun tegenstanders elimineren. Het komt maar al te vaak voor dat de slachtoffers niet de terroristen zijn waarvoor zij worden uitgemaakt, maar dorpelingen die geen kans zien zich te weren tegen deze luchtaanvallen.

Daarbij komt nog de aanwezigheid van Amerikaanse commando’s en inlichtingendiensten door het hele land heen voor het opsporen en aanhouden van subversieve elementen. Het gevolg is dat de publieke woede zich zowel richt tegen de eigen overheid als tegen het Amerikaanse management ervan.

De bevolking heeft geen zeggenschap over wat er in en met het land gebeurt. Wat van bovenaf komt, wordt ervaren als bezetting. Die perceptie leidt ertoe de Talibaan eerder te zien als bondgenoot dan als onderdrukker. Jammer genoeg.

Jan Breman is emeritus hoogleraar sociologie aan het Amsterdam Institute of Social Science Research.