Dansgroep draait dol

Den Haag heeft het Nederlands Danstheater. Amsterdam heeft Het Nationale Ballet. Nederland kan trots zijn op dans die nationaal en internationaal inspireert en volle zalen trekt, en op choreografen van wereldfaam. Amsterdam wil meer. De stad heeft een reputatie hoog te houden wat modernere danskunst betreft: in de jaren zestig vergaapte het publiek zich aan de legendes Koert Stuyf en Ellen Edinoff. En in de jaren zeventig benamen de choreografieën van Krisztina de Châtel het de adem.

De overgang, twee jaar geleden, van veteraan De Châtel en haar groep naar het nieuwe dansgezelschap Dansgroep Amsterdam (DGA) was evident. Maar een oneman- of -womanshow was uitdrukkelijk niet de bedoeling. Voorwaarde voor de 1,8 miljoen euro rijkssubsidie was dat het gezelschap, bedoeld als platform voor jong talent, profiteerde van het oeuvre van meer dan één choreograaf. Naast De Châtel werd Itzik Galili aangesteld, ook een dansmaker met een indrukwekkende staat van dienst.

Maar artistieke kwaliteit blijkt iets anders dan het vermogen tot gedeeld leiderschap. Al na twee jaar zijn de verhoudingen onherstelbaar verstoord. Galili’s contract is niet verlengd, De Châtel lijkt alleen door te gaan. Maar dat zou vreemd zijn. Eén leider is geen leider. De subsidie was juist niet toegekend aan een eenmansonderneming. DGA verdient een nieuwe start, met een nieuwe leiding zonder bezoedeld verleden. De verliezers zijn niet de choreografen, maar het publiek en de dansers die hun artistieke zaligheid legden in de handen van een falende leiding.

De kwestie is extra pijnlijk omdat zij zo smadelijk het bevuilde imago bevestigt van podiumkunstenaars van door zichzelf verblinde ego’s die niet beseffen dat subsidie bedoeld is om hun talent ten goede te laten komen aan het Nederlandse publiek.

Uit het echec kan ook een les getrokken worden voor de nabije toekomst. De staatssecretaris van Cultuur wil een deel van de voorgenomen kunstbezuiniging zoeken in fusies van theatergroepen en dat zal vaak leiden tot gefuseerd leiderschap.

Uit de affaire-DGA kan worden opgemaakt dat de aanstaande leidersduo’s of -trio’s niet op hun blauwe ogen geloofd kunnen worden als ze zeggen dat ze het idee van een gedeelde directie omarmen. Leiderscombines zullen onderuitgaan als ze blijven hangen in het oude onvermogen om een vakbroeder of -zuster anders te zien dan als een concurrent die je maar beter kunt dwarszitten voordat je zelf in het nauw wordt gedreven.

Het lijkt verstandig bij elke fusie een onafhankelijke intendant boven hen aan te stellen, al is het maar voor de eerste tijd. Zodat ze kunnen wennen aan wat dat betekent: samen delen.