Bernard Welten, de wet en het gezonde verstand

De Amsterdamse korpschef Bernard Welten vindt dat agenten altijd „hun gezonde verstand” moeten gebruiken. Hij zegt „sommige dingen in het regeerakkoord over te slaan”. En voelt zich „niet altijd een instrument van de overheid dat onmiddellijk doet wat er gevraagd wordt”. Daarom zal zijn korps het boerkaverbod niet handhaven, zei hij eergisteren in een tv-interview met de NTR. Vrouwen in deze geheel verhullende islamitische sluier kunnen wat hem betreft in de hoofdstad dus vrij rondlopen. Ook als het kabinet deze maatregel door de Staten-Generaal weet te loodsen.

Op zichzelf zijn de bezwaren van Welten juist. Het aangekondigde boerkaverbod is een opzettelijk discriminerende maatregel tegen aanhangers van de orthodoxe islam, genomen om politieke redenen. Die zijn terug te voeren op het onjuiste PVV-standpunt dat de islam een verwerpelijke ideologie is, geen religie. Dat de korpschef aanvoelt dat zoiets niet past in een rechtsstaat, siert hem. Ook zijn argumenten zijn correct. De politie waarborgt de vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid. Dat de politie burgers op straat zal verbaliseren louter omdat ze hun religieuze opvattingen uiten in hun kledingwijze, is inderdaad kwalijk. Amsterdam is geen Teheran. Het kabinet valt diep als het hier inderdaad toe overgaat.

Van de argumenten die Welten aanvoert, is er jammer genoeg maar één dat in zijn functie ook gepast is. Namelijk dat agenten hun gezond verstand moeten gebruiken. De politie heeft in Nederland een zekere beleidsvrijheid bij het handhaven van de rechtsorde. Niet op alle slakken zout leggen, maar de overschrijding van wetten en regels zo beperkt mogelijk houden. Dat vraagt om praktische wijsheid, waar de politie ruimschoots over beschikt. Zeker de Nederlandse politie is gewend dicht bij de burger te werken. Een goed politiekorps weet het evenwicht te bewaren. De winst van de laatste twee decennia is dat de politie juist meer is gaan handhaven. Door minder te gedogen werd tegemoetgekomen aan de behoefte van de burger die meer bedreigd werd. De politie won daardoor aan respect en gezag.

Welten glijdt echter uit als hij zegt „niet altijd” te willen doen wat de overheid vraagt en het regeerakkoord alleen selectief te willen uitvoeren. Een korpschef mag, nee moet, vanuit zijn praktische kennis de overheid wijzen op wat onhaalbaar of ongewenst is. Dat gebeurt in overleg met de burgemeester en de officier van justitie. Als een korpschef echter openlijk en pertinent op eigen titel regelgeving afwijst, dan schept hij een gezagscrisis. Ook de burger zal zich dan gelegitimeerd voelen sommige wetten maar ‘over te slaan’. Dat Kamerleden hierover hard vallen, is geheel begrijpelijk. Ook een korpschef moet uiteindelijk toch de wetgever volgen. Of wat anders gaan doen.