41 miljoen Chinese mannen zonder vrouw

In China stijgt het mannenoverschot nog steeds. Veel mannen zijn er laag geschoold. Ze vinden moeilijk een vrouw en kunnen gemakkelijk vervallen in asociaal gedrag.

Sinds 1983 zijn er in China 41 miljoen jongens geboren die waarschijnlijk nooit een vrouw zullen vinden. De bevolkingspolitiek van de Chinese overheid en de traditionele voorkeur voor jongens hebben de afgelopen decennia gezorgd voor een groot mannenoverschot. Als het evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke borelingen niet wordt hersteld, zullen er tot 2020 nog eens 55 miljoen Chinese jongens bij komen die het in hun leven zonder vrouwelijke partner moeten stellen.

Dit heeft grote maatschappelijke gevolgen. Alleen mannen die wat beter af zijn, vinden nog een vrouw, want gezien hun schaarste trouwen vrouwen ‘omhoog’ en zijn laag geschoolde mannen nagenoeg kansloos. Deze tientallen miljoenen vrijgezellen tegen wil en dank vormen een veiligheidsrisico: bendevorming, vrijgezellengetto’s in de steden en stijgende criminaliteit.

Dit verontrustende scenario werd geschetst tijdens een recente, door de Unesco belegde ontmoeting van demografen in Peking. De Nederlander Dick van de Kaa was erbij en rapporteert erover in het jongste nummer van het tijdschrift Demos (december 2010). Van de Kaa is oud-directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

In Peking werden nieuwe cijfers gepresenteerd, onder meer door Li Shuzhuo, directeur van het Instituut voor bevolkings- en ontwikkelingsstudies van de Jiaotong universiteit in Xi’an. De deelnemers waren voor Chinese begrippen heel openhartig. Het was vooral Li die wees op de mogelijk destabiliserende gevolgen van het groeiende mannenoverschot.

In China is de sekseratio bij geboorte (SRG) sinds de jaren tachtig voortdurend gestegen. In 2004 kwam die al boven de 120. Met andere woorden: dat jaar werden in China per 100 meisjes ruim 120 jongens geboren. In de meeste westerse samenlevingen ligt de sekseratio bij geboorte rond de 105, met een afwijking van 1. Dit geldt als het ‘biologisch normale niveau’ en is waarschijnlijk een evolutionaire aanpassing aan het gegeven dat vrouwen een grotere kans hebben te overleven tot de huwbare leeftijd dan mannen.

Afwijkingen van deze standaard elders in de wereld hebben meestal te maken met een voorkeur voor zonen. Die zorgen voor meer inkomen, zetten de familielijn voort en krijgen voorrang bij het erven van bezit. Meisjes gelden in veel niet-westerse samenlevingen als een kostenpost, omdat ze op den duur deel gaan uitmaken van de familie van hun man en dan geen verantwoordelijkheid meer nemen voor hun eigen ouders.

In China was infanticide, kindermoord, ooit een ‘late’ manier om ongewenste kinderen te laten verdwijnen, maar dit gebeurt nog maar zelden. Tot 1982 was de traditionele voorkeur voor mannelijke nakomelingen nauwelijks terug te vinden in de Chinese geboortecijfers; in dat jaar was de SRG 107. Maar medio jaren tachtig kwam die al boven de 110 en sindsdien is hij alleen maar gestegen. Deze scheefgroei was het gecombineerde resultaat van nieuw beleid en een nieuwe technologie: echoscopie.

Keerpunt was het Vijfde Nationale Volkscongres in 1980, dat het éénkindgezin als norm stelde. Paren die in steden woonden of die tot het kader behoorden, moesten die norm heel strikt naleven, op straffe van hoge geldboetes. In minder dichtbevolkte, landelijke gebieden mocht men ervan afwijken en waren twee kinderen toegestaan. Als gevolg van decentralisering is er intussen geen uniforme landelijke norm meer. Het éénkindbeleid is nu nog maar van toepassing op 35 procent van de bevolking. Chinese gezinnen hebben nu gemiddeld 1,5 kind en voor de nationale overheid is dat aanvaardbaar.

Van de Kaa legt uit wat er toen gebeurde: „De vruchtbaarheid is snel gedaald – van 5 in 1972 tot 1,5 nu – maar de traditionele voorkeur voor jongens is gebleven. Als je maar één kind mag hebben, moet dat een jongetje zijn, vindt men. Mag je er twee hebben en is de eersteling een meisje, dan moet in elk geval de nummer twee een jongen zijn. Toen in de jaren tachtig de mogelijkheid ontstond om met behulp van echoscopie het geslacht van een ongeboren kind vast te stellen, werd er selectief geaborteerd. Zo steeg de sekseratio.”

De Chinese demograaf Juhua Jang legde in haar voordracht in Peking een verband tussen het geboortebeleid en de gestegen sekseratio, maar zij denkt dat een tweekinderpolitiek niet volstaat om de SRG te normaliseren. Uit surveyonderzoek zou blijken dat de bevolking intussen een laag kindertal heeft omhelsd. Die peilingen wijzen op een ideaal van gemiddeld 1,7. Jang oppert medisch personeel te verbieden om ouders bekend te maken met het geslacht van het ongeboren kind. Dat heeft gewerkt in Zuid-Korea, waar het beleid sinds de jaren zeventig sterk op geboortebeperking was gericht, vooral door verruiming van de mogelijkheden voor abortus. In 1990 was de SRG er opgelopen tot 117. Die is intussen gedaald naar 110.

Jang verwacht op den duur het meest van mentaliteitsverandering. Ze denkt dat met de economische ontwikkeling ook de waardering voor meisjes groeit. Van de Kaa is het met haar eens: „Als vrouwen maatschappelijk meer waard worden – door hun relatieve schaarste of door een hogere opleiding – en als er meer vraag komt naar hun arbeid, bestaat de kans dat deze onevenwichtigheid afneemt.” In een recente enquête zei 39 procent van de Chinese vrouwen geen voorkeur te hebben voor een zoon.

Maar zoiets maakt het ontstane overschot niet ongedaan. Als de Duitse historisch demograaf Gunnar Heinsohn, schrijver van Söhne und Weltmacht. gelijk heeft, zal dit op den duur leiden tot rebellie.