Stop met vergelijken van Joden en moslims

Wat moslims anno nu aan negatiefs beleven, staat niet in verhouding tot het eeuwenoude antisemitisme. Veronderstellen dat moslims hetzelfde ervaren als Joden in de jaren dertig is dus onjuist, vindt Arnold Heertje.

Geert Mak leverde in NRC Handelsblad van 30 december een bijdrage aan de discussie die is ontbrand over het vergelijken van het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog en de moslims heden ten dage in ons land. Aanleiding is een interview van Job Cohen in Vrij Nederland, waarin deze zich overigens beperkt tot de gevoelens van zijn moeder zich buitengesloten te voelen rond het uitbreken van de oorlog. Het is niet onredelijk dat de herinnering van Job Cohen aan de woorden van zijn moeder wordt uitgestrekt tot de vernietiging van de Joden, maar strikt genomen heeft hij het daar niet over. Mede daarom is het begrijpelijk dat Geert Mak het thema reduceert tot wat hij noemt het begin, het brandmerken van een complete bevolkingsgroep als probleem. Hij illustreert dit aan de hand van een tafelgesprek in een gereformeerd gezin in 1938, waarin de ene antisemitische uitspraak na de andere over tafel gaat. Mak beschouwt deze gebeurtenis als exemplarisch voor de ervaringen van moslims in Nederland anno 2011.

Die voorstelling is misleidend. Het antisemitisme is van alle tijden en van alle windstreken. Het is niet in 1938 in Nederland begonnen. Het is evenmin na de Tweede Wereldoorlog opgehouden. Voorts is sprake van een universeel verschijnsel dat in alle lagen van de bevolking wordt aangetroffen. Onlangs kon Harry Mens zich in zijn programma Business Class vrijwel zonder protest presenteren als een notoire antisemiet. Het gaat om complexe sentimenten. Gereformeerden en communisten hebben in de Tweede Wereldoorlog bij uitstek deelgenomen aan het verzet en de hulp aan Joodse onderduikers. Dat de moeder van Job Cohen zich pas in het begin van de jaren veertig van de vorige eeuw buitengesloten voelde, is opmerkelijk, omdat in de jaren daarvoor in Duitsland al sprake was van actieve vervolging van Joden en in Nederland het antisemitisme reeds de gedaante aannam van onverschilligheid jegens het lot van de Joodse gemeenschap, ook toen de Joden daadwerkelijk werden buitengesloten. In 1941 waren door maatregelen van de nazi’s in Nederland al tal van verbodsbepalingen uitsluitend van kracht voor Joden .

Het complement van deze eeuwenoude, aanhoudende en globale ervaringen is dat sommige mensen altijd voor Joden in de bres zijn gesprongen en dat Joden als volk – en dus niet als religie – in ruimte en tijd noodgedwongen een grensoverschrijdende en grensverleggende rol in de geschiedenis van de mensheid spelen.

Op al deze gronden is het vergelijken van zeer uiteenlopende minderheidsgroepen als Joden en moslims een hachelijke zaak, niet alleen vanwege de recente loot aan de stam van het antisemitisme, het wereldwijde moslimantisemitisme. Belangrijker is dat de aandacht wordt afgeleid van de analyse van de moslimhaat en de bestrijding daarvan in onze tijd. Wie over deze analyse nadenkt, ontwaart oorzaken en achtergronden die tijdgebonden en lokaal zijn en alleen al daarom niet in de schaduw staan van het universele van het antisemitisme. Evenmin als individuele Joden op beleidsdaden van de regering van Israël kunnen worden aangesproken, kunnen individuele moslims verantwoordelijk worden gehouden voor terreurdaden van groepen die zich laten leiden door de islam. Voor het beleid is daarom de opgave het verleden te laten rusten en artikel 1 van de Grondwet integraal toe te passen, dus ook jegens moslims.

Arnold Heertje is emeritus hoogleraar economie aan de UvA.