Knapperende vuurtjes verwarmen het straatbeeld

De winter in Delhi is een geniepige insluiper. Toch kondigt hij zich ruimschoots van tevoren aan. Eerst verdwijnen de moessonregens en wijkt de verstikkende hitte. Dan wordt het aangenaam, zeer aangenaam, tot diep in de avond. Maar lang duurt dat niet, enkele weken slechts.

Plotseling wordt het frisjes en voor je het weet glipt vanaf eind november de koude het huis binnen. Midden in de nacht, als de temperatuur is gezakt tot rond de vijf graden, wringt ze zich moeiteloos door de vele kieren rond de ramen en deuren.

Dat leer je al snel: de winters zijn hier koud en kil als de avond valt, en de huizen zijn er niet op gebouwd. Geen spouwmuren, geen dubbele beglazing en geen tochtstrippen. Alleen een straalkacheltje biedt uitkomst. En een elektrisch dekentje, maar dat mag niemand weten. Geen enkel huis heeft centrale verwarming. Meer dan 150.000 inwoners van Delhi hebben helemaal geen dak boven hun hoofd, hoogstens een zeildoek. Dus waar zeur ik over?

Sneeuwen doet het niet in Delhi, dichte mist speelt voor spelbreker. De treinenloop raakt ernstig in de war, vertragingen worden niet uitgedrukt in uren, maar in dagen. Minstens zo moeilijk hebben de duizenden reizigers het die op zulke mistdagen niet kunnen vertrekken van de gloednieuwe luchthaven van de hoofdstad. ‘Gezin zit 31 uur vast op vliegveld en geeft vakantie in Thailand op’, kun je dan in de krant lezen.

De meest inwoners van Delhi hebben nooit vakantie. De riksja-bestuurders hebben een wollen muts opgezet, de motorrijders dragen handschoenen en de straatwerkers, die muurtjes moeten metselen en tegels moeten leggen, hebben dekens om zich heen geslagen.

De kinderen die bij de verkeerslichten moeten bedelen, hebben soms een truitje aan, maar vaak sjokken ze op blote voeten. Een jongetje draagt oorwarmers, hij verkoopt balpennen.

Inwoners die op straat leven, beginnen vanaf een uur of vier in de middag met het sprokkelen van takken en stronken. De bewakers van de huizen in mijn wijk doen dat ook. Ze zitten ’s avonds in groepjes om het vuur en maken het zich zo gezellig en warm mogelijk.

Het beeld van de knapperende vuurtjes hoort bij het winterse straatbeeld van Delhi. Ook vanaf het hooggelegen metrostation Mansarowar Park in het oosten van Delhi, aan de overkant van de rivier Yamuna, zie je beneden oranje vlammetjes op de zandvlakte naast de krotwoningen die daar in een lange sliert staan.

Bhanu, een vrouw van in de zestig, gebruikt alleen hout voor een vuurtje om op te koken, niet om zich te verwarmen. Haar huis is een bamboe geraamte met zeildoeken. ’s Nachts trekt ze dekens over zich heen. De koude in de winter is erger dan de hitte in de zomer, zegt ze.

Mohammad Alem (45) en Raju (40) gaan straks slapen in een grote tent die voor daklozen is neergezet op een van de pleintjes voor de Jama Masjid (Grote Moskee) van Delhi. Overal in de stad zijn dergelijke permanente en tijdelijke opvangplaatsen. Vorige week nog haalde het Hooggerechtshof fel uit naar de gemeentelijke autoriteiten omdat die straatkinderen aan hun lot zouden overlaten. Een krantenfoto van de twee kinderen die onder de blote hemel sliepen, had de woede gewekt van de rechters. „We willen dergelijke foto’s niet meer zien”, kreeg de gemeente te horen. Elk jaar weer verschijnen berichten over mensen die in de koude overlijden.

Mohammad en Raju verdienen de kost met hun fietsriksja’s in de oude binnenstad. De kleren die ze aan hebben, is hun enige bezit, zeggen ze. Vrouw en kinderen hebben ze niet. In het duister naast hen hurken twee verslaafden, in de weer met een stukje zilverpapier, waaronder ze een vlammetje met een aansteker houden. Een meisje van een jaar of vijftien kijkt toe, met een baby op de arm. „We komen hier alleen in de winter. Normaal slapen we gewoon ergens op de stoep”, zegt Raju.

Wim Brummelman

Dit is het achtste deel van een serie van correspondenten over hun winter