Istanbuls randen

Tijdens die veertien dagen als writer in residence in Istanbul heb ik weinig geschreven en veel gekeken. Geluisterd ook: elke ochtend werd ik gewekt door gebeden en boten. Gevoeld: mijn gezicht dat zich eindelijk weer als een tevreden bloemkelk naar het zonlicht kon keren.

Reizen verluchten het hoofd. De tijd wordt gerekt. De blik is aandachtiger in het buitenland. Toch is die blik vermoedelijk ook onderhevig aan vooropgestelde verwachtingen en exotisme.

Is de weemoed die ik in deze stad meen te ontdekken een gevolg van het lezen van Orhan Pamuk? (Veel van mijn gesprekspartners mogen de auteur niet.) Is het echt zo dat er ook in België meer mannen dan vrouwen op straat lopen, zoals een in Istanbul wonende Belg beweert? (Ik zal er, weer thuis, op letten.) Is Ayran hetzelfde als karnemelk? (Volgens mij smaakt het anders.)

Misschien ben je in een vreemde omgeving als iemand die welwillend maar zonder voorkennis een museum voor moderne kunst bezoekt en erachter komt dat het hoogst interessante brandblusapparaat in de hoek geen kunst is maar een gevolg van veiligheidsvoorschriften.

Deze immer uitbreidende metropool heeft veel meer inwoners dan mijn land. Een Turkse vrouw neemt ons mee naar de randen. Achter de honderden nieuwe appartementsblokken wordt alweer gebouwd, daarachter rust voorlopig nog gras, dat voor veel inwijkelingen uit de dorpen groener is, of beter dan niets. Alle veronderstelde bakstenen in Belgische magen ten spijt: dit is anders.

Toch vindt mijn blik wat mij bindt. Ik voel me verbonden met de oude Turk die met zijn grote werkmanshanden een mandarijntje pelt. Dat heb ik zelf ook net gedaan.

De mensen die net als ik in Araf op Balkanmuziek staan te dansen, op de eerste nacht van het jaar, komen me vertrouwd voor. Where are you from? Van overal.

En dan is het een zwerm vogels – zijn het spreeuwen? – die ons erop wijst dat mensen te veel vragen stellen, te veel vergelijken.

Mijn collega en ik kijken als enigen op. Dit hebben we alleen nog maar op YouTube gezien. Als verbaasde kinderen volgen we de honderden vogels die samen één zijn. Boven de wagens, flats en minaretten vormen ze een immens wezen dat snel van richting verandert, groeit en krimpt. Ademt.

Geen enkele vogel botst tegen een andere op, voor hen is de dans vanzelfsprekend. Lang blijven we kijken. Onbegrijpend en met vochtige ogen.