Fundamentalisten worden steeds intoleranter

Religieuze extremisten in Indonesië winnen terrein, niet zozeer doordat men hen steunt, maar doordat niemand hen tegenhoudt. Het onderwerp ‘islam’ ligt te gevoelig.

Former editor-in-chief of Playboy Indonesia magazine Erwin Arnada is escorted by police officers to a detention car that will take him to a prison at a prosecutor's office in Jakarta, Indonesia, Saturday, Oct. 9, 2010. Arnada starts his two-year jail sentence Saturday for publishing pictures of scantily clothed women. (AP Photo/Irwin Fedriansyah) AP

Tijdens het bezoekuur voelt Erwin Arnada zich een paar uurtjes veilig. De oud-hoofdredacteur van de Indonesische Playboy ontvangt visite op een terras binnen de Cipinang gevangenis, waar hij bijna drie maanden vastzit. Straks moet hij weer zijn cel in, tussen moordenaars, verkrachters, drugsverslaafden en corrupte zakenmannen.

„Het is een jungle”, zegt Arnada zachtjes. Op zijn arm heeft hij een kabbala-tatoeage, om zijn nek hangt een boeddhabeeldje. Op zijn zelfontworpen t-shirt staat: ‘Journalistiek is geen misdaad.’ „Je moet jezelf beschermen, op welke manier dan ook.”

In zijn huis op Bali bereidde de ‘multireligieuze’ Arnada zich in augustus voor op de ramadan, toen vrienden hem belden met het slechte nieuws. De fundamentalistische knokploeg Front ter Verdediging van de Islam (FPI) had een één jaar oude uitspraak van het Hooggerechtshof tevoorschijn getoverd, waar niemand tot dan toe van wist. Arnada bleek voor zijn werk als hoofdredacteur veroordeeld tot twee jaar cel wegens ‘onzedelijkheid’.

Niet wéér, dacht Arnada. „Dezelfde vijand, dezelfde bullshit”.

Arnada is een van de slachtoffers van de groeiende intolerantie in Indonesië. Fundamentalistische moslims winnen aan invloed, waardoor er steeds minder ruimte is voor liberale moslims en religieuze minderheden. Zo is het aantal aanvallen op kerken en andere incidenten van ‘religieuze intolerantie’ dit jaar met dertig tot vijftig procent gestegen, volgens twee rapporten die eind december uitkwamen. De daders zijn meestal religieuze knokploegen, zoals de fundamentalistische FPI.

De intolerantie is groter geworden sinds de val van autocraat Soeharto in 1998 de reformasi inluidde, constateert de denktank Moderate Muslim Society. En dat terwijl het land op andere gebieden juist enorme vooruitgang heeft geboekt. Maatschappelijke organisaties bloeien, de pers is de meest vrije van Zuidoost-Azië, verkiezingen verlopen vreedzaam en eerlijk, zegt Syafi’i Anwar van het Internationale Centrum voor Islam en Pluralisme (ICIP). „Maar de vrijheid van godsdienst is in verval.” Arnada is de eerste journalist sinds jaren die wegens zijn werk wordt opgesloten.

Al sinds hij in 2006 begon met de ‘netste Playboy ter wereld’, knokt Arnada met de FPI. Juist vanwege de conservatieve Indonesische cultuur wilde hij de enige Playboy zonder bloot maken, vertelt hij, een concept waarvan hij toenmalige Playboy-baas Christie Hefner slechts met moeite kon overtuigen. Het resultaat was een blad met serieuze artikelen en foto’s van het type lingeriereclame. Maar de FPI greep Playboy aan als Amerikaans symbool van moreel verderf en ging in de aanval.

„Het was het zwaarst toen ze mijn kantoor in brand staken en een van mijn werknemers in elkaar sloegen”, herinnert Arnada zich.

Na twee nummers kon het bijna-blootblad door alle bedreigingen niet meer uitkomen, zijn neefjes en nichtjes durfden niet meer naar school. De FPI gaf Arnada aan bij de politie. „Alle dertien keer dat ik moest voorkomen, stonden bij de rechtszaal vijfhonderd FPI’ers te schreeuwen. Allah Akbar, Erwin is een pion van Amerika, dood aan Erwin!”.

Na de mysterieuze uitspraak vier jaar later, eiste de FPI dat Arnada werd opgepakt. Anders zouden hun eigen ‘soldaten’ het doen, dreigde de organisatie. Het werkte: toen hij zichzelf op 9 oktober besloot aan te geven, rekende de politie hem met groot machtsvertoon in. „Ze sleepten me mee, mijn voeten raakten de grond niet eens. Ik werd behandeld als een terrorist.” De eerste drie dagen in Cipinang waren „de moeilijkste uit mijn leven”.Nu vult hij zijn tijd met badmintonnen, batikken en zaalvoetbal.

Naast de zaak van Arnada zijn er talrijke andere voorbeelden. Gewelddadige protesten tegen de bouw van nieuwe kerken, waarbij in september zelfs een voorganger werd neergestoken. Zanger Nazril ‘Ariel’ Irham staat terecht omdat hij figureerde in een seksvideo; onder de nieuwe antipornografiewet riskeert hij twaalf jaar cel. En begin vorige maand gooide een gewapende bende de ruiten in van een moskee van de Ahmadiyah-sekte, omdat fundamentalisten vinden dat hun versie van de islam godslastering is.

Het patroon is vaak hetzelfde. Radicale knokploegen signaleren ‘moreel verval’ of ‘blasfemie’ en dwingen de autoriteiten in actie te komen. Als die dat nalaten, gaan ze over tot geweld. Ze worden zelden opgepakt.

De nieuwe politiechef Timur Pradopo ging in augustus naar de twaalfde verjaardag van de FPI en suggereerde dat de groep kan helpen bij de wetshandhaving. De fundamentalisten hebben ook medestanders in het kabinet. Zo zei minister van Religie Suryadharma Ali dat de Ahmadiyah sekte moet worden verboden.

Daarnaast vaardigen gouverneurs en regenten sinds dit jaar weer meer lokale wetten uit die gebaseerd zijn op de sharia. Zij bepalen bijvoorbeeld dat vrouwen ’s nachts niet over straat mogen, dat ambtenaren de koran moeten kunnen reciteren, of dat ongetrouwde stelletjes arrestatie riskeren als ze samen worden aangetroffen. Hoewel de wetten lang niet altijd worden nageleefd, voelen agressieve fundamentalisten zich erdoor gesterkt. Zo worden in Atjeh regelmatig ongetrouwde stelletjes in elkaar getrimd door buurtgenoten, als ze in intieme pose worden betrapt.

„Tijdens Soeharto waren vrouwen vrijer”, zegt Husein Muhammad van de nationale vrouwencommissie Komnas Perempuan. Destijds werden vrouwenorganisaties aan banden gelegd; nu is hun individuele vrijheid in het geding.

Paradoxaal genoeg is het juist de democratisering die radicale moslims de ruimte geeft om andermans vrijheid in te perken. Onder Soeharto konden provincies en regentschappen geen lokale shariawetten maken. Radicale organisaties werden hard aangepakt. „Onder Soeharto waren dit soort religieuze gangsters zeker gearresteerd”, zegt Syafi’i Anwar over de FPI. „Ze kapen de reformasi.” Terwijl knokploegen onder Soeharto de straten onveilig maakten uit naam van de ‘nationale eenheid’, dragen zij nu lange witte jurken en ‘verdedigen’ de islam. Vaak zijn hun morele kruistochten niet meer dan afpersing, waarbij doelwitten geld moeten neertellen om met rust gelaten te worden.

De fundamentalisten winnen niet zozeer terrein doordat men hen steunt, maar doordat niemand hen tegenhoudt. President Susilo Bambang Yudhoyono, die steeds meer wordt gezien als besluiteloos en zwak, spreekt zich nauwelijks uit.

Ook andere leiders durven dit gevoelige onderwerp niet aan te pakken. Wie het wel doet, wordt gebrandmerkt als anti-islam.

„Zodra religie zich mengt met politiek, wordt iedereen bang”, zegt Erwin Arnada. „De stille meerderheid durft niet op te staan.” Sympathisanten sms’en hem dat hij maar geduldig moet zijn. „Maar ik ben al vier jaar geduldig.” Publiekelijk durft niemand het voor hem op te nemen.