Een vernield bushokje telt wel/niet mee

Neemt ‘de criminaliteit’ in Nederland nou af of toe? Elk misdaadonderzoek heeft zijn manco’s. En politiecijfers en enquêtes spreken elkaar soms tegen.

Hoe omvangrijk is de criminaliteit in Nederland? Volg het nieuws en de verwarring neemt toe.

De ene week blijkt het aantal geweldsdelicten te zijn gedaald, dan weer is het aantal gewelddadige overvallen al jaren aan het stijgen, en aan het begin van het nieuwe jaar meldt de Amsterdamse korpschef vervolgens dat het aantal overvallen weer is afgenomen. Idem met de stroom aan berichten over fietsendiefstallen, vernielingen, autobranden, overlast, verloedering, gewapende overvallen en snorfietsenroof.

Tegenover die tegenstrijdige berichten staat de klare taal uit Den Haag. „Overlast, agressie, geweld en criminaliteit worden directer en effectiever aangepakt”, staat in het regeerakkoord. De minister voor Veiligheid en Justitie wil er „paal en perk” aan stellen. En, zei staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven (VVD) eind november tijdens een Kamerdebat over veiligheid: „Misschien stijgen de cijfers niet, dalen doen ze ook niet.”

Is dat zo? Hoe zit het eigenlijk met die cijfers? Hoe worden ze gemeten? En wát wordt eigenlijk gemeten?

Om te beginnen: cijfers over ‘de’ misdaad bestaan niet. „Criminaliteit is een containerbegrip voor alle gedragingen die bij wet zijn verboden”, aldus onderzoekers Sandra Kalidien en Harry Eggen in het naslagwerk Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008. Van het rijden door rood licht tot fietsendiefstal, van heling via mensenhandel tot meervoudige moord.

Cijfers zijn er maar voor bepaalde misdaden. Vermogensdelicten zoals fietsendiefstal en woninginbraak. Overvallen. Geweldsdelicten. Vernielingen van privébezit. Die cijfers zijn meestal afkomstig van de jaarlijkse slachtofferenquête onder 200.000 Nederlanders, de zogenoemde Integrale Veiligheidsmonitor (IVM), uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek, gemeenten en een aantal politieregio’s. Gegevens uit dat onderzoek leiden tot de bekende berichten. ‘Het aantal slachtoffers van een delict in 2009 gestegen van 5,9 naar 6,3 miljoen’; ‘het aantal geweldsdelicten is in 2008 met 14,5 procent gedaald ten opzichte van 2006’; en ‘de verloedering is met 3 procent gedaald’.

De vraag is: hoe volledig en betrouwbaar zijn deze vaak geciteerde cijfers?

Ben Vollaard, misdaadeconoom aan de universiteit Tilburg, geeft hoog op over de Veiligheidsmonitor. „Dit is de grootste slachtofferenquête van de hele wereld. Tweehonderdduizend respondenten. Als ik dat aan mijn collega’s in de Verenigde Staten vertel, staan ze met hun oren te klapperen.” Ben Rovers, zelfstandig gevestigd criminaliteitsonderzoeker, is minder enthousiast. „Dat grote aantal respondenten zegt mij niet zo veel. De meeste misdaad doet zich voor in de achterstandswijken van de grote steden. Probeer daar als enquêteur maar eens representatief je werk te doen”, zegt Rovers. „Over het algemeen geldt: hoe groter de kans dat je slachtoffer wordt van een misdaad, hoe kleiner de kans dat je wordt geraadpleegd in een enquête.” Ook hoogleraar Karin Wittebrood, tevens onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), denkt dat enquêtes een vertekend beeld kunnen geven. „Minderheden zijn standaard ondervertegenwoordigd in enquêtes.”

De uitvoerders van de Veiligheidsmonitor houden extra steekproeven in achterstandswijken van grote steden, zegt methodoloog Wieger van der Heide van het bureau Veiligheidsmonitor. „Maar het blijft lastig. Met extra steekproeven bereik je vooral de hoger opgeleide allochtonen. Niet de lager opgeleiden.”

De Veiligheidsmonitor onderzoekt ook de leefbaarheid van buurten, met stellingen als ‘In de buurt zijn wegen, paden en pleintjes goed onderhouden’. Maar volgens Ben Rovers is het onmogelijk om op basis daarvan betrouwbare conclusies te trekken: „Iemands beleving van de buurt is per definitie subjectief. Op basis van de resultaten van die stellingen zeggen dat de verloedering van een buurt met 3 procent is gestegen, is echt onzinnig.”

Bovendien gaan slachtofferenquêtes – het woord zegt het al – alleen over delicten met een eenduidig slachtoffer. Dus niet over heling, georganiseerde misdaad, fraude, witteboordencriminaliteit, drugshandel. Ook meet het IVM alleen vernielingen aan privébezit. Rovers: „Vernielde bushokjes of verkeersborden tellen niet mee.”

De andere belangrijke bron voor misdaadcijfers is de politie. In een landelijke databank verzamelen de Nederlandse politiekorpsen hun gegevens. Die gegevens zijn gebaseerd op opsporingen en op delicten waarvan aangifte wordt gedaan. Karin Wittebrood: „Dat is direct een beperking, want slechts een op de drie slachtoffers van een delict meldt zich bij de politie.” En, zegt Ben Rovers: „Lang niet alle meldingen leiden tot een aangifte, bijvoorbeeld omdat het de politie niet duidelijk wordt wat er zich tijdens een caféruzie nu precies heeft afgespeeld.” Ben Vollaard: „De politie is bezig met het bestrijden van misdaad, niet met het verzorgen van de statistiek. De cijfers zijn ook een weerslag van de prioriteiten van het korps. Is er meer aandacht voor geweldsdelicten, dan zie je dat terug in de politiestatistieken.” Zo verklaarde de Amsterdamse korpschef Welten maandag ook de afname van het aantal overvallen in Amsterdam vorig jaar: de politie heeft eenvoudigweg meer werk gemaakt van het bestrijden van overvallen.

Politiecijfers en enquêtedata kunnen elkaar ook tegenspreken, zegt Ben Rovers op basis van onderzoek dat hij begin jaren negentig in Rotterdam verrichtte. De politie registreerde een toename van het aantal straatroven, uit lokale enquêtes bleek juist een daling. „Dat zat zo: straatroven zijn vaak geconcentreerd in een beperkt aantal buurten. De slachtofferenquête was te gelijkelijk over de stad gespreid om die concentratie correct weer te geven.”

Valt er ondanks deze beperkingen wel iets zinnigs over criminaliteit te zeggen?

Ja, zeggen de onderzoekers. „Vermogensdelicten zoals woninginbraak en autodiefstallen lenen zich goed voor enquêtemetingen”, zegt Rovers. „Er is een duidelijk slachtoffer, een evidente misdaad, en het gaat om privébezit.” Zijn collega Ben Vollaard durft dan ook stellig te zeggen dat sinds 2002 het aantal vermogensdelicten ‘spectaculair’ is gedaald. „Door het opsluiten van notoire veelplegers”, aldus Vollaard. Volgens de laatste Veiligheidsmonitor is die daling wel tot staan gebracht, zegt hij. Ook Wittebrood denkt dat vermogensdelicten het best meetbaar zijn. „Goede indicator is dat zowel politiecijfers als slachtofferenquêtes vaak dezelfde ontwikkeling laten zien.”

Geweld is een lastiger meetbare misdaad. Wittebrood: „Volgens de politiecijfers zijn geweldsdelicten sinds 2005 hoogstens iets gestegen, slachtofferenquêtes wijzen op een daling.”

Waar maken politici die klagen over het toenemende geweld zich dan zorgen over? „Een veelgehoord geluid is dat geweld misschien niet toeneemt, maar dat het wel steeds ernstiger wordt”, zegt Wittebrood. „Maar de slachtofferenquête onder 200.000 Nederlanders vraagt de laatste jaren niet meer naar de ernst van het lichamelijk letsel. En de politie registreert geweldsdelicten alleen op nummer van het wetboekartikel. Er wordt dus niet gemeten of geweld ernstiger wordt.”

Hoe moeilijk het ook is om de omvang van criminaliteit te meten, minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten (VVD) laat zich niet ontmoedigen, zo bleek uit het recente Kamerdebat over zijn beleid. „Het vergroten van veiligheid is niet alleen in cijfers uit te drukken.”