Drugsellende ontstaat door falend drugsbeleid

In het artikel ‘Bericht aan de cocaïnesnuiver’ (NRC Handelsblad, 30 december) wil Dick Wittenberg de schuld van met cocaïne verbonden ellende bij de gebruikers leggen. Maar de hoofdschuldigen zijn politici die weigeren serieus na te denken over alternatief beleid. Cocaïnegebruikers hoeven zich niet schuldig te voelen. In het WHO-cocaïnerapport (1994), waarvan publicatie jarenlang door de VS werd tegengehouden, werd geconcludeerd dat de meeste gebruikers geen ernstige problemen hadden. En degenen mét problemen hadden meestal al sociale/psychologische problemen.

Het meest principiële argument tegen het drugsverbod is dat de staat zich niet moet bemoeien met wat mensen in hun lichaam stoppen, anders dan door voorlichting en verstandige regulering. Met het verbod op drugs creëert de staat de ideale omstandigheden voor de zwarte markt. Tegelijk ontneemt hij, zonder behoorlijke redenen, zijn burgers het recht cocaïne te gebruiken. Dit terwijl de ‘onbedoelde’ neveneffecten van het verbod bekend zijn. Dat is de oorzaak van de wantoestanden die Wittenberg wil laten zien.

„Ben jij echt zo onnozel?”, vraagt Wittenberg aan de cocaïnesnuiver. „Zie het spoor van geweld, corruptie en ellende dat cocaïne trekt.” Cocaïne is een stof en kan zo’n spoor niet trekken. Slecht beleid kan dat wel. Wittenberg beschrijft de effecten van de prohibitie alsof ze rechtstreekse gevolgen zijn van de verboden stoffen. Maar waren de moordpartijen tijdens de Amerikaanse drooglegging een effect van alcohol? Of van wanbeleid?

Freek Polak

Psychiater, bestuurslid Stichting Drugsbeleid, Amsterdam