De mobiliteit van jonge generaties

Afgelopen december uitte het SCP zijn zorg over het feit dat de sociale mobiliteit in Nederland stagneert. Het is een opvallend keerpunt in de tot nu toe heersende trend dat in iedere generatie kinderen ‘meer’ bereiken in opleiding en inkomen dan hun ouders. Dit keerpunt geldt vooral voor jonge mannen. Vrouwen overtreffen hun moeders nog, aangezien die gemiddeld lagere opleidingen hebben gevolgd, en jonge allochtone vrouwen zijn bezig aan een forse inhaalslag op beide ouders. Het is alom bekend dat meisjes de jongens voorbij streven in aantallen, studiesnelheid en cijfers. Het eerste probleem ligt dus bij het gebrek aan mobiliteit van jongens, en specifiek van jonge mannen zonder bezigheid noch discipline, maar wel gedreven door een fikse dosis testosteron. Dat kan een ernstig maatschappelijk verschijnsel worden en zou ertoe kunnen leiden dat wij op den duur ons voorkeursbeleid voor vrouwen moeten herzien. Wie weet komt er een tijd van speciale klasjes voor jongens met concentratieproblemen en stageplaatsen voor startende jongens op de arbeidsmarkt.

Het verschijnsel van sociale mobiliteit herken ik maar al te goed uit mijn studietijd in Wageningen: velen van mijn jaargenoten waren boerenzonen en de eersten in hun familie die studeerden, en verschillenden van hen zijn gepromoveerd en later hoogleraar geworden. Hoe vaak heb ik niet die trotse ouders, ooms en tantes op de eerste rij in de aula zien zitten, glunderend ondanks hun duidelijke onwennigheid bij het formele promotieritueel! Nu hebben deze hoogleraren zelf kinderen, en inderdaad, de kans dat hun kinderen ook hoogleraar worden, laat staan ‘iets meer’, is verwaarloosbaar.

Sterker nog, het valt me vaak op dat goed opgeleide, hardwerkende veertigers en vijftigers kinderen hebben die het ouderlijke plichtsbesef en de ambities helemaal niet delen. Die, om het maar eerlijk te zeggen, door hun ouders in de watten worden gelegd, graag lanterfanten, eindeloos chatten, en in ongeveer alles aangemoedigd worden (Vioolles? Hockey? Naar de film? Zeg het maar, wij betalen en rijden je wel). Als je de eerste in de familie bent die mag studeren, en alle hoop op je gericht is, dan zul je je uiterste best doen. Maar als alle mogelijkheden voor je open liggen, is het veel moeilijker je weg te vinden. Daar komt nog bij dat ook ouders zelf minder ambitieus lijken te worden, al noemen ze het liever ‘pragmatisch’. Hobby’s en een sociaal leven worden belangrijker, parttime werken is de norm, in toenemende mate ook voor jonge vaders, en dat zorgt weer voor een lager gezinsinkomen.

Het gebrek aan economisch en sociaal perspectief lijkt dus niet zo problematisch voor de middenklasse. Want wat is er nog ‘meer’ waar naar gestreefd moet worden in een land waar velen zo bevoorrecht zijn? Als je vader of moeder al leraar/arts/advocaat/onderzoeker/organisatieadviseur is, wat kun je dan nog meer willen? Ook als je geen (afgeronde) academische opleiding hebt, dan kun je nog steeds succesvol zijn als ondernemer en kunstenaar. Logisch dat jongeren het wel goed vinden zo.

Maar mobiliteit is een knellend probleem voor gezinnen van lager opgeleiden, waar vrouwen nauwelijks werken en mannen weinig kans op inkomensgroei en promotie maken. Maar wacht even! Dat lijkt op die boerengezinnen van mijn studietijd, waarvan de zonen als eersten van de familie gingen studeren. De vraag is dus waarom kinderen uit lagere sociale milieus vandaag minder mobiel zijn dan vroeger en wat we er aan doen om die mobiliteit te verbeteren. Een van de succesfactoren van wat ik maar even de generatie van de boerenzoons noem, was de hbs, de strenge (jongens)school waar je discipline en ernst leerde en het vehikel voor mobiliteit.

Wie werkelijk wil weten wat sociale mobiliteit betekent, moet verder kijken dan Nederland. Een lichtend voorbeeld biedt Azië waar gezinnen zich diep in de schulden steken om hun kinderen te laten studeren en dezen alles op alles zetten om te slagen. Ambitie en talent zijn toverwoorden, ook voor de overheid. De overtuiging dat onderwijs redding biedt, geldt eigenlijk in alle lage-inkomenslanden, soms met treurige gevolgen als er geen werk blijkt te zijn voor al die afgestudeerden die dan in arren moede taxichauffeur worden.

Dit spookbeeld zien we nu ook in Zuid-Europa, met van huis uit goede universiteiten, waar de werkloosheid onder jonge academici schrikbarende vormen aanneemt. Nog nooit waren er zoveel gemotiveerde, goed opgeleide jongeren in Italië, Spanje of Griekenland, en nog nooit waren de uitzichten voor hen zo gering. Deels komt dat door de geslotenheid van de beroepsgroepen, de noodzaak ‘contacten’ te hebben om aan een baan te komen, deels heeft de economische crisis dit versterkt. Binnen Europa kan dit een brain drain van zuid naar noord geven die zijn weerga niet kent. Waar gebrek aan ambitie en talentontwikkeling Nederland parten speelt, staan jonge Europeanen en andere goed opgeleide jongeren uit de rest van de wereld te trappelen om hier te komen. Dat is het werkelijke mobiliteitsvraagstuk.