Colonnes grillige fietsers

Die eerste ochtend bleef ik bij het raam staan, ook toen de vrachtwagens weg waren – ik keek uit op een park.

De betraande groentint van de vroege Hollandse lente groeide de gespleten hemel in, waar horden veroveraarsstammen tegen het machteloze, afgestompte blauw botsten, en ik dacht dat de donder zou rollen tengevolge van die onderwerping.

Geen schilder is erin geslaagd de gewelddadige onstuimigheid te vangen van die invasie, die in haar maalstromen zowel paleizen meevoert als hangende tuinen, grandioze tempels en ten hemel opgenomen steden van goden uit verdwenen, vergeten beschavingen.

Ramen kwam ik ook tegen in de metro, toen mijn vader me meenam naar de stad. En daarachter door grijsheid verstarde, ongemakkelijk in een betraande beek van gewas geplante gebouwen; grachtjes met water zo troebel alsof ermee was afgewassen, waarop zwarte vogels met witte snavels half verrotte strootjes verzamelden; fabrieksschoorstenen in de verte, waarvan de rook die horden ruiters leek te voeden; rode bakstenen huizen, die zich niet meer tegen de grijsheid verzetten en in ruil voor schilderachtigheid hadden ingestemd met een lange levensduur; daken, kerkkoepels – we reden de stad binnen.

In de tram zat ik tegenover een forse donkere vrouw die een enorm, lang gewaad droeg dat iets weg had van het achtergronddoek van een verlaten schildersezel, met donkerpaarse patronen die vergroeiden met haar zwarte huid en alles deden om haar tanden te laten blinken met een glans die tegelijkertijd verblindde en de blik naar zich toe trok.

De tram reed langs een markt, waarvan de door de regenachtige slonzigheid geremde kleurschakeringen één vlek vormden, even groot als de vensterruit. Daar schoven winkeltjes voorbij, propvol groenten en met opschriften, doorsneden door colonnes grillige fietsers, hun wielen leken door onzichtbare kettingen te zijn verbonden, zodat ze allemaal voortjoegen in een onstuitbare veldtocht. Zo imiteerden ook de huizen, opgesmukt en reumatisch, met pruiken op de daken en kunstgebitten in de deuropeningen, die hemelse paleizen niet bekwaam genoeg, want ze waren overzichtelijk, met de blik te omvatten, hoewel ze, om te herinneren aan hun voorbeeld, langs grachten waren gezet zodat het water hun schijn van onwerkelijkheid in stand hield.

Borislav Cicovacki (Sombor, Servië (Joegoslavië, 1966) studeerde hobo in Novi Sad en bij Han de Vries in Amsterdam, waar hij sinds 1991 woont. Behalve musicoloog en componist is hij schrijver.