Bas Heijne: Het populisme keert zich tegen de Verlichting - niet geheel onterecht

Onderstaand essay van NRC redacteur Bas Heijne verscheen afgelopen vrijdag in NRC Handelsblad. Wie wil meepraten over Nederland in 2011, doet er geen kwaad aan dit stuk van 4.200 woorden te lezen.

Het populisme keert zich tegen de Verlichting – niet geheel onterecht

We hoeven niet meer van elkaar te houden
Bas Heijne

Van alle veelzeggende gebeurtenissen van het afgelopen jaar was deze misschien wel het veelzeggendst: de televisiebeelden waarop te zien was hoe Sarah Palin, volgens vele Amerikanen de gewenste president van de Verenigde Staten, een kariboe doodschoot.

Veelzeggend? In de media waren ze vooral het onderwerp van hoon en spot. De scene kwam voor in de vierde episode van Sarah Palin’s Alaska, een reallifesoap over het leven van de voormalige gouverneur van die Amerikaanse staat. De winter nadert, de freezer van huize Palin is bijna leeg, en samen met haar vader Chuck en vriend Steve trekken ze tot ver boven de poolcirkel – en daar staat ineens die kariboe. Palin schiet een aantal keer mis. Ze neemt haar toevlucht tot een geweer met nog meer precisie. Bij het vijfde schot zijgt het majestueuze dier ineen. Vervolgens wordt het dier in stukken gesneden die thuis in de vriezer worden gestopt, maar niet dan nadat huisvriend Steve het bloedende hart van het beest heeft getoond aan Palins achtjarige dochter Piper.

De reacties op de slachting waren voorspelbaar: de Amerikaanse vereniging voor het beschermen van dieren, PETA, sprak zijn afschuw uit, talkshowhosts spuiden grappen over Palins gebrekkige schietkunst en mediadeskundigen maakten gehakt van het realiteitsgehalte van het programma. Palin zelf had in haar programma gezegd dat de jacht voor het merendeel van de bewoners in Alaska noodzakelijk was om in leven te blijven, maar een weekblad rekende uit dat het tripje van Palin met vader en vriend naar het hoge noorden in totaal meer dan 140.000 dollar had gekost. Dat was een duur lapje hertenbiefstuk.

Een van felste reacties kwam van Aaron Sorkin, een van de bekendste scenarioschrijvers uit Hollywood, onder meer van de serie Westwing en recentelijk de speelfilm The Social Network. In een stuk op de site van The Huffington Post veegde hij de vloer aan met Palins argument dat je het niet moest wagen om haar te veroordelen zolang je zelf vlees at, leren schoenen droeg of thuis of op kantoor in een leren stoel zat. Sorkin: „I eat meat, chicken and fish, have shoes and furniture made of leather, and PETA is not ever going to put me on the cover of their brochure and for these reasons Palin thinks it’s hypocritical of me to find what she did heart-stoppingly disgusting.” Behalve de opzichtige manipulaties van de makers van Sarah Palin’s Alaska verafschuwde Sorkin vooral de gretigheid waarmee Palin het dier afslachtte, de valse aardse lyriek waarmee ze het neerschieten van het dier aankleedde. Sorkin: „You weren’t killing that animal for food or shelter or even fashion, you were killing it for fun. You enjoy killing animals.”

Het stuk van Sorkin kreeg een daverend applaus van de lezers uit het anti-Palinkamp, omdat het ogenschijnlijk korte metten maakte met het lastige argument waarmee tegenstanders van de jacht altijd om de oren worden geslagen: jouw schoenen zijn ook van dode dieren gemaakt, dus tegen wie heb je het? Dit was een uitweg: ik eet vlees, zeker, maar ik zwelg niet in het doden van dieren. Ik beleef geen plezier aan wreedheid. Ik zie het als een noodzakelijk kwaad, omdat ik te zwak ben om vegetariër te worden. Dat maakt dat ik de vrouw kan veroordelen die trots lachend op de foto gaat met een doodgeschoten hert.

Is dat argument overtuigend? Er zit voor mij iets ongemakkelijks in. Ben je een goed mens wanneer je afstand doet van wat je als een barbaarse praktijk beschouwt, terwijl je die praktijk wel laat voortbestaan – en overlaat aan anderen? Wat is je afschuw van het doden van dieren waard wanneer die afkeer alleen maar tot gevolg heeft dat de dieren voortaan ongezien worden gedood? Wat is die hoogstaandheid van Sorkin waard wanneer die alleen dient om geen vuile handen te hoeven maken? Je kunt Palin honen om haar berekenende bloed-en-bodemromantiek, vanwege het zwelgen in het doden zelf, en ook nog vanwege haar valse voorstelling van zaken in haar docusoap, maar daarmee ga je een andere, pijnlijke kwestie uit de weg: wie vlees eet, zal moeten doden.

De scène van de jagende Palin is – daar heeft Sorkin natuurlijk gelijk in – gemanipuleerd en op effect gericht. Welk effect? Vreemd genoeg verzuimt de scenarist in zijn verontwaardiging de meest voor de hand liggende vraag te stellen: wat wil deze scène ons vertellen? Als het een verhaal is, wat is dan de moraal? Op het moment dat de politica het dode dier als voedsel opeist en beschrijft wat een gevoel van voldoening het geeft wanneer het je lukt raak te schieten, glorieert ze niet in bloedvergieten alleen. Het is ook een brutale aanval op wat zij en haar volgelingen als de hypocrisie van de vooruitstrevende liberaal zien: jezelf een goed mens wanen, terwijl anderen – gewone mannen en vrouwen – de werkelijkheid onder ogen durven zien.

Hier heb je meteen de essentie van de populistische revolte waarvan Sarah Palin in de Verenigde Staten het boegbeeld is, maar die zich inmiddels heeft verbreid over grote delen van het Westen. Het gestolde idealisme van ‘links’ – in Amerika de liberals – claimt volgens hen nog altijd een morele hoogstaandheid, hoewel die de harde werkelijkheid glashard ontkent. ‘Links’ zwelgt in zijn eigen goedheid en goede bedoelingen, gewone mensen blijven met de rotzooi zitten. Alle morele verwijten van populistisch rechts jegens links vallen binnen dat patroon.

De boodschap wordt er in de westerse wereld met kracht ingehamerd – en het schot dat de kariboe deed neerzijgen is er wat mij betreft het symbool van. De scène in Sarah Palin’s Alaska is grof, brutaal en nietsontziend; het antwoord van Sorkin is boos, bijtend, maar ook onmachtig. Mensen als Sorkin zijn gemakkelijk in het defensief te duwen; instinctief weten ze dat ze zwak staan, omdat in hun wereldbeeld altijd een dosis wensdenken schuilt. Ze zijn doordrenkt van een ethos dat hun zegt dat het doden van dieren eigenlijk verkeerd is, dat doden in alle gevallen fout is en zeker wanneer de sterken de zwakkeren doden. Tegelijk leven ze in een wereld waarin dagelijks ontelbare dieren worden geslacht om hen van voedsel te voorzien.
De ‘weldenkenden’ die opgelucht dachten dat het sneuvelen van het neoconservatisme in de chaos van Irak de weg vrij maakte voor een nieuw politiek humanisme, kwamen al na een jaar Obama gruwelijk bedrogen uit. Het gefnuikte neoconservatisme bleek de weg te hebben vrijgemaakt voor een populisme dat het heel goed bleek te kunnen stellen zonder Friedrich von Hayek en Leo Strauss: hun ideologie was weliswaar op dezelfde leest geschoeid, maar dan zonder een vastomlijnd intellectueel fundament.

Dit nieuwe populisme was bij uitstek een product van de dynamische media- en massacultuur; zie de reallifesoap van Sarah Palin, waarin het zogenaamde aardse, harde, simpele leven van de aankomende presidentskandidaat zorgvuldig in scène wordt gezet. Ideologisch baseerde het zich op de belevingswereld van de gewone man, de man die ’s ochtends de deur van zijn huis opendoet en op basis van wat hij daar ziet – en ’s avonds op televisie en internet – zijn bittere conclusies trekt.

Dit conservatisme wil nadrukkelijk volks zijn; natuurlijk wil Palin haar ‘mannelijkheid’ bewijzen door voor een miljoenenpubliek een kariboe neer te leggen, maar de aanleiding is zogenaamd een lege vrieskist en een gezin dat moet worden gevoed. Als er bij deze beweging grote woorden aan te pas komen, worden die ontleend aan de geschiedenisboekjes die iedere scholier tot zich heeft genomen. De helden van de Tea Party-beweging, waarvan Palin het boegbeeld is, eigenen zich schaamteloos de symbolen toe van een tolerant en progressief Amerika – zoals Abraham Lincoln en Martin Luther King. De grote mars die eind augustus door de voorman van de volksrechtse televisiezender Fox, commentator Glen Beck, werd gehouden – waar ook Palin sprak – heette veelzeggend ‘Restore America’. Geef ons ons land terug.

Die dynamiek is voor Nederlanders zeer herkenbaar. Een overwegend ‘links’ establishment dat zich wentelt in morele zelfgenoegzaamheid terwijl de werkelijke problemen niet onder ogen worden gezien, een onthecht kosmopolitisme dat neerkijkt op traditionele gemeenschapsbanden, een fataal gebrek aan trots op de eigen herkomst, een sentimenteel humanisme met betrekking tot de grote dreiging van globalisering en immigratie, een pijnlijke vervreemding van het bestaan van de gewone man. Het is inmiddels een overbekend repertoire.
En natuurlijk het verwijt van inconsequentie en hypocrisie: de schampere vaststelling van Sarah Palin over mensen die de jacht verafschuwen vanuit hun leren fauteuil maakt deel uit van een cluster van gelijksoortige verwijten. Als je zo multicultureel bent, waarom stuur je je kinderen dan naar een witte school? Martin Bosma, ideoloog van de PVV en tekstschrijver van Geert Wilders, volgde eind november in zijn eerste politieke wisselcolumn in deze krant hetzelfde stramien: de vermeende progressieve lezers kunnen zich hun breed uitgemeten vooruitstrevendheid alleen permitteren omdat ze de grote boze wereld negeren. „En de kinderen? Stelt u hen bloot aan uw multiculturele idealen en staat u elke ochtend om half negen bij een zwarte school? Zit uw Emma, Anne-Fleur of Mees gezellig in een klas vol met Mohammeds en Ali’s? Ho, ho. Het moet niet te gek worden natuurlijk. Als het erop aankomt, rijdt u toch liever een extra blokje met die kinderbakfiets.”

Het is retoriek, natuurlijk. Bosma’s ironie strekt zich helaas niet uit tot zijn eigen gedachtegoed, maar zijn retoriek over de hypocriete progressief krijgt nauwelijks weerwoord, misschien omdat de karikatuur die Bosma schetst net iets te veel verwijst naar een herkenbare werkelijkheid. De idealen van een gegoede, zichzelf als progressief beschouwende klasse staan te vaak op gespannen voet met de werkelijkheid. Populisten als Palin en Bosma worden genegeerd en, als dat niet langer kan, veroordeeld of betreurd.

Of men maakt een voorzichtige knieval. Na de Fortuyn-revolte van 2002 verschenen tal van artikelen en boeken over de kloof tussen de burger en de politiek. Er werd eindeloos uitgeweid over de verwording van de bestuurlijke elite. De burger zou boos zijn, hervorming van het openbaar bestuur eisen, directe democratie, enzovoort. Aan de meer geëxalteerde aspecten van het fenomeen Fortuyn werd stilletjes voorbijgegaan, of ze vormden de aanleiding tot lacherige meewarigheid of cabareteske spot. Mozes en het beloofde land!

De commentatoren van kranten en opinieweekbladen wisten niet goed hoe ze moesten omgaan met de uitzinnige kant van Fortuyn. De grotere belofte die Fortuyns optreden met zich mee leek te brengen, die van regeneratie en vernieuwde gemeenschapszin, kon alleen nog worden begrepen in termen van volksnationalisme en fascisme, en leidde tot felle afwijzing.
Daarmee werd het kind met het badwater weggegooid. Het politieke populisme zoals het zich nu voordoet laat zich niet rationeel verklaren, omdat de kern ervan heel weinig te maken heeft met redelijkheid. Waarom vergeeft haar Amerikaanse aanhang Sarah Palin iedere blunder, iedere politieke misstap, ieder schandaaltje? Waarom hebben het stuntelige optreden of het half-criminele verleden van de door Geert Wilders geselecteerde Kamerleden nauwelijks invloed op zijn reputatie als de man die de augiasstal van het oude politieke establishment zal schoonvegen? Denken de aanhangers van Wilders, de Deense Volkspartij en het Vlaams Belang werkelijk dat er over een aantal jaren geen herkenbare moslims meer in hun land zullen wonen? Waarom hebben de Italianen zo lang in Berlusconi geloofd, terwijl hij de Italiaanse democratie onder hun ogen kapot maakte? Omdat ze zelf al lang niet meer in die democratie geloofden?

Wie denkt dat het de leiders van die partijen en de mensen die op hen stemmen enkel en alleen gaat om reële politieke hervormingen, om de aanpak van criminaliteit en een stop op massa-immigratie, vergist zich. De duiders die de opstand van de burgers proberen te doorgronden met aan de Verlichting ontleende begrippen, kunnen nooit begrijpen dat al deze revoltes in de kern juist zijn gericht tegen de in hun ogen sleetse begrippen van het verlichtingsdenken zelf.

Het zijn de verlichtingsbegrippen, na de Tweede Wereldoorlog verheven tot dogma’s, die nu op een agressieve manier worden ontmaskerd als leugens, geriefelijke ontkenningen van wezenlijke behoeften. Gelijkheid, tolerantie, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid – keer op keer worden mensen die deze abstracties hoog in het vaandel hebben staan, ontmaskerd als akelig hypocriet, als zogenaamde hoogstaande geesten die er een dubbele moraal op nahouden. Daartegenover staan bij uitstek menselijke behoeften: verwantschap, eigenheid, trots – met daaronder een groot verlangen naar een zuivere gemeenschap. Restore America, Trots op Nederland en, zoals de slogan van het Vlaams Belang luidt: dit is ons land. Wat onder vuur ligt, is het naoorlogse humanisme zelf.

Overal waar het nieuwe populisme opbloeide, richtte het zijn pijlen op vreemde elementen die het sociale en culturele weefsel van de samenleving aantastten, maar vooral op degenen die het laten gebeuren: de zelfgenoegzame, progressieve elite die, met het ‘Nooit weer!’ als motto en het antifascisme als geloofsleer, een betere wereld had willen bewerkstelligen, maar intussen de gewone man doodgemoedereerd overliet aan zijn lot. Het andere was immers superieur aan het eigene?

Nationale identiteit werd weer tot een heilige graal, iets wat eens natuurlijk aanwezig was en toen door boze krachten werd ontvreemd. In Nederland werd daar ongemakkelijk of lacherig of ongelovig op gereageerd. Hoe bereid men ook was de zogenaamde ‘kloof’ serieus te nemen, die meer verheven aspecten van het gemeenschapsdenken werden genegeerd of weggehoond – kijk maar naar Rita ‘Trots op Nederland’ Verdonk.

In het naoorlogse humanisme was voor het begrip identiteit geen plaats – iedereen had alleen nog ‘meerdere identiteiten’. Of je werkte aan je ‘persoonlijke identiteit’, waarmee zelfontplooiing werd bedoeld, wat in de meeste gevallen betekende dat je je eigenwaarde ontleende aan een emancipatoire beweging, de vrouwen-, zwarten- of homostrijd. Dat waren identiteiten waar niks mis mee was. Maatschappelijk gediscrimineerden hadden die juist nodig om overeind te blijven in een vijandige wereld. Ook regionale identiteiten werden getolereerd, zolang ze grenzen van de folklore niet overschreden.

Het nieuwe populisme gaat over identiteit en gemeenschap in tijden van globalisering en immigratie, twee fenomenen die de progressieve politiek nooit goed in een verhaal heeft weten te vatten. Een open houding tegenover een complexe wereld, waarin je eigen betekenis relatief is, en een al even open houding tegenover de Ander – precies die progressieve geestesgesteldheid verhinderde een kritische houding jegens de excessen van globalisering en immigratie. Het duurde lang voordat men die excessen onder ogen kon zien. Ze pasten eenvoudigweg niet in het progressieve wereldbeeld.

De reactie was navenant. In het nieuwe verlangen naar de doortastende leider, naar overzichtelijke wortels, naar een nationale geschiedenis die weer kan worden gekoesterd, zien we de mythe terugkeren over de verweesde natie en de reddende buitenstaander. Dat die aspecten van het populisme niet worden begrepen, bevestigt wat mij betreft juist het bestaansrecht ervan. Het establishment wil het populisme hoogstens redelijk tegemoetkomen – juist daarmee toont het establishment aan er niets van te begrijpen. Het nieuwe populisme is niet alleen een reactie op de versnippering en verwatering die globalisering met zich meebrengt; het is ook een reactie tegen een ontkerstende wereld, waarin alles alleen nog maar wordt gezien in economische termen.

Het is een misvatting om te denken dat het onbehagen op een rationele manier zou kunnen worden opgelost, zoals David Van Reybrouck lijkt te denken in zijn pamflet Pleidooi voor populisme (2008). Van Reybrouck ziet in het hedendaagse populisme een reactie op de ondervertegenwoordiging van laagopgeleiden in het politieke establishment; gewone mensen voelen zich niet langer vertegenwoordigd. In de ‘diplomademocratie’ telt iemand die niet hoog is opgeleid niet langer mee.
Dat is zeker een belangrijk punt, maar de meeste mensen, onder wie ook veel hoogopgeleiden, hebben het gevoel dat hun iets veel groters, iets veel belangrijker is afgepakt dan alleen politieke vertegenwoordiging.

Deze maand had ik in Berlijn een gesprek met de Duitse schrijfster Juli Zeh. We spraken onder meer over het onderwerp dat mij bezighoudt – de opkomst van het nieuwe populisme en de onmachtige respons van hen die zich opwerpen als de verdedigers van het naoorlogse, humanistische gedachtegoed. Die respons was, zei ik, altijd defensief, meestal gepikeerd en vaak zelfgenoegzaam. Tegenover incidenten die het gevolg waren van reële sociale problemen zetten zij abstracties als het gelijkheidsbeginsel, de principes van de rechtsstaat en hun algehele afkeer van alles wat te maken had met het verlangen naar eigenheid. De aanvallende, schrille, hardvochtige taal van het populisme werd beantwoord met de taal van de ambtenarij of de clichés van een versleten christendom. Dat was geen antwoord, dat was een reflex.

De taal van de naoorlogse democratie lijkt versleten, zei ik tegen Zeh. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel en de fundamenten van de rechtsstaat wordt steeds vaker beschouwd als een poging om de werkelijkheid te ontkennen. Zeh wierp tegen dat wanneer mensen niet meer in staat zijn abstracte begrippen als gelijkheid naar hun eigen leven te vertalen, dat een terugval betekende. „Het is een teken van intelligentie wanneer je abstracte principes op werkelijke gevallen kunt toepassen, zodat je kunt zien of ze zinnig zijn. Als je dat niet langer kunt, ben je gewoon dom.”

Was het zo eenvoudig? Het probleem leek mij dat die abstracte principes zelf in toenemende mate niet langer werden beschouwd als zinnig. Of beter gezegd, men beschouwde ze als zinnig zolang het goed uitkwam. In het debat over de aanwezigheid van de islam in Europa zag je dat het beste. Tegen de orthodoxe islam werden de principes van de Verlichting ingezet – gelijkheid van man en vrouw, scheiding tussen Kerk en Staat, tolerantie ten opzichte van minderheden als homoseksuelen – kortom, een staalkaart van verlichte humanistische principes tegenover een mentaliteit die al deze hooggestemde beginselen beschouwde als het werk van de duivel.

Diezelfde verlichte principes werden gehoond wanneer ze werden ingezet ten behoeve van moslims, wanneer ze werden aangeroepen om migranten en hun nakomelingen een plaats in de westerse samenleving te geven. Dan waren diezelfde principes ineens de symptomen van een fatale slapheid, van de onmachtige verdwaasdheid van de elite.

Wie voor vrijheid van meningsuiting is, kan niet principieel tegen de hoofddoek zijn – dat is immers ook een mening. Wat te doen als je toch een bloedhekel hebt aan de hoofddoek? Dan kun je twee kanten op. Je kunt de hoofddoek en het geloof dat ermee is verbonden aanwijzen als het kwaad zelf. In de strijd tegen het kwaad kun je principes van de Verlichting – tolerantie, gelijkheid – rustig even opzijschuiven, dan moet er gewoon hard worden opgetreden. De icoon van die houding is Winston Churchill. Wanneer in een essay of opiniestuk die naam opduikt, hoef je niet verder te lezen – je weet welk punt er gemaakt zal worden.

Een tweede reactie is het afzweren van de geloofsartikelen van de Verlichting zelf. Waarom geen onderscheid tussen mensen gemaakt? Waarom blijven zeggen dat iedereen gelijk is, wanneer dat evident niet zo is? Waarom zou iedereen evenveel rechten moeten hebben, terwijl sommige mensen tot een natie behoren en anderen overduidelijk niet? Waarom tolerant zijn voor mensen die zelf luidkeels hun afschuw van jou en de jouwen verkondigen? Waarom zou je niet gewoon toegeven dat je jezelf beter vindt? Als je in een essay of opiniestuk het parmantige zinnetje ‘mensen zijn niet gelijk, ze zijn wel gelijkwaardig’ tegenkomt, hoef je niet verder te lezen. Wat wordt bedoeld, is dat mensen niet gelijkwaardig zijn.

Een paar jaar geleden nam ik deel aan een discussie in New York met Ayaan Hirsi Ali en Frits Bolkestein. De laatste verkondigde voor een volle zaal dat het Westen ronduit superieur was aan de overige culturen. Een daverend applaus volgde.

Het was een bijzondere ervaring, waaraan ik nog weleens terugdenk, hoewel ik de rest van de discussie allang ben vergeten. Wat drukte dat applaus uit? Wie de principes van de Verlichting aanhangt, moet erkennen dat het Westen fraai afsteekt bij grote delen van de rest van de wereld, juist doordat de geloofartikelen van de Verlichting handen en voeten hebben gekregen, doordat ze zijn ingebed in de samenleving, in de rechtsstaat. Wie dat ontkent, maakt zich inderdaad schuldig aan cultuurrelativisme.

Alleen: klapte het publiek in New York voor de principes van de Verlichting of voor zichzelf? Klapte het als dank dat men deel mocht uitmaken van een maatschappij die verlichte principes huldigde, een maatschappij dat het gelijkheidsbeginsel uitdroeg en tolerantie bepleitte? Ik ben bang van niet. De zaal applaudisseerde, tegen de politieke correctheid in, voor de eigen superioriteit. Het Westen was beter, dus waren zijzelf beter. Eindelijk mocht het worden gezegd. Het maakte niet uit of er moordenaars in de zaal zaten, of oplichters, of lafaards, of sjoemelaars, of domkoppen, iedereen daar mocht zich dankzij Bolkestein even beter voelen dan de rest. Ze woonden niet alleen in het Westen, ze waren het Westen. Heel even vormde men een gemeenschap van gelijkgestemden.

Met de principes van de Verlichting had dat niets te maken. Het applaus was juist bedoeld om af te rekenen met de uitwassen van het verlichtingsdenken in handen van het progressieve establishment, met zijn aangeprate schuldgevoel over het kolonialisme, de permanente staat van zelfbeschuldiging over de miskenning van de Ander, het verdacht maken van iedere vorm van gemeenschapsdenken.

Ik was daar in New York getuige van een levende paradox: hier werd uit naam van de Verlichting geklapt voor emoties die juist tegen het wezen van de Verlichting ingingen – culturele hegemonie, oneigenlijke superioriteitsgevoelens, groepsnarcisme.

De grote humanisten hadden ons juist geleerd dat geen bijzondere rechten konden worden ontleend aan de liefde voor de eigen natie of groep. Het was heel goed denkbaar dat in de meest achterlijke cultuur ter wereld mensen leefden die moreel gezien in alle opzichten superieur waren aan mensen die in een meer verlichte samenleving woonden. Het was lastig om dat te moeten toegeven, het ging wellicht in tegen de menselijke natuur – maar daar was nu juist de Verlichting voor uitgevonden.

Waar is het fout gegaan? In de neiging om de Verlichting op te vatten als een geloofsleer, in plaats van een levenshouding, een loffelijk streven om onze al te menselijke aanvechtingen in goede banen te leiden. In handen van het progressieve establishment werden ze tot dogma’s waaraan een gevoel van superioriteit werd ontleend; omdat je aan de goede kant stond, was je vanzelf ook goed. Men verzuimde die dogma’s in tijden van globalisering en immigratie opnieuw te toetsen aan de werkelijkheid.

De grote blinde vlek bleek het hernieuwde verlangen naar gemeenschap en identiteit in een versnipperde wereld. Men zwolg in zelfkritiek, maar verzuimde kritisch naar de rest van de wereld te kijken – we moesten van elkaar houden, juist omdat we zo verschillend waren, juist omdat de ander zo uitdagend anders was.

Dat leidde tot zelfgenoegzaamheid en hypocrisie. We hielden niet van elkaar, we deden alleen maar of we van elkaar hielden. Toen de revolte zich aandiende, was er ongeloof en ontzetting. Hoe kon je de morele superioriteit van het humanistische wereldbeeld in twijfel te trekken? Het nieuwe populisme laat zich nog minder gelegen liggen aan de opdracht van de Verlichting. Westerse verworvenheden worden gebruikt als stok om de islamitische hond te slaan, maar voor de rest keert men zich juist tegen het imperatief van de Verlichting. Het op zich begrijpelijke, want menselijke verlangen naar eigenheid, het ingebed zijn in een gemeenschap, wordt gebruikt tot het huldigen van de eigen uitverkorenheid en het radicaal simplificeren van de werkelijkheid. Het „durf te denken!” van Immanuel Kant is ingeruild voor een spannender adagium: durf te voelen.

Natuurlijk zwelgt Sarah Palin in het doodschieten van de kariboe. Het gaat haar niet om voedsel, dat is gewoon hypocriete berekening, het gaat haar erom de diepste instincten van een mens ruim baan te geven. Doodschieten is lekker, wil ze eigenlijk zeggen – het zijn de zogenaamde weldenkenden die beweren dat het niet zo is, die afgelopen decennia met hun slappe humanisme de mens hebben afgehouden van zijn eigen natuur.

Tussen een mens en zijn natuur stonden de idealen van de Verlichting – en kijk eens wat de elite daarmee gedaan heeft! Om onszelf te hervinden, moeten we terug naar die natuur, waar gedood wordt om te overleven. Ach, laten we er eerlijk voor uitkomen, waar je doodt om te voelen dat je leeft.

Je kunt het nieuwe, volkse populisme zien als een broodnodige correctie op het gestolde idealisme van een progressieve elite – maar dan ga je voorbij aan de ware aard ervan, het verlangen naar oerkrachten in een al te geciviliseerde wereld, de roep om de verlosser van buitenaf, het verlangen om af te rekenen, niet met de politiek-correcte uitwassen van het verlichtingsdenken, maar met het verlichtingsdenken zelf.

Ieder abstract principe wordt dan gezien als een hypocriete, hinderlijke leugen. Wat telt is niet de wereld, maar alleen nog je eigen belevingswereld. Daarbinnen kun je jezelf het middelpunt van alles wanen – en hoef je jezelf geen rekenschap te geven van de rest van de wereld. Het doorgeschoten relativisme van een progressieve generatie wordt nu als excuus gebruikt om iedere vorm van zelfrelativering uit de weg te gaan. Dat is geen correctie op het verlichtingsdenken, dat is verraad aan het verlichtingsdenken. Omdat men aanvoelt dat de menselijke natuur op een hypocriete manier wordt onderdrukt, wordt het ideaal nu door steeds meer mensen overbodig verklaard. Eindelijk mogen we elkaar weer haten.

Nu er steeds meer boze stemmen opgaan om de geloofsartikelen van de Verlichting maar aan de kant te schuiven, omdat het slappe leugens zouden zijn, is het tijd ze opnieuw tegen het licht te houden. Gelijkheid, tolerantie, vrijheid – hoe kun je die begrippen vrijmaken van gemakzucht en zelfgenoegzaamheid en opnieuw betekenis geven?

Misschien hoeven we niet van elkaar te houden. Misschien hoeven we elkaar niet eens aardig te vinden. De ware humanist laat zich geen knollen voor citroenen verkopen, die weet waarmee hij te maken heeft: de mens. De menselijke natuur ontkennen, weet hij, is even gevaarlijk als erin zwelgen. Tussen die twee smadelijke uitersten moet hij nu zijn eigen positie innemen.