Weerzien met die vrolijke Van Goyen

Jan van Goyen (1596-1656) was een van de beste zeventiende-eeuwse landschapschilders. Je herkent zijn schilderijen meteen: het kleurgebruik is ingehouden, de luchten zijn bewolkt tot zwaar bewolkt en bomen, gebouwen en figuren zijn getékend in verf. Aan de schilderijen kun je al zien dat Van Goyen een virtuoos tekenaar was, en dat blijkt ook uit de vele schetsbladen die er van hem bewaard zijn gebleven.

Van Goyen tekende landschappen alsof hij ze schreef. Hij krabbelde ze in potlood neer als notities, snel en dartel en vanzelfsprekend. Niemand die dat in zijn tijd zo mooi deed als hij. Je zou willen dat je zo’n kunstenaar kende. Dat je wist hoe hij keek, dacht, praatte, werkte. Hij had een leuke kop, dat blijkt uit een portretje dat Gerard ter Borch in 1634 van hem maakte. Een fotokopie in zwart-wit hing jarenlang op het prikbord in mijn keuken. Een vrolijk, intelligent, tijdloos gezicht.

Onlangs zag ik dat vertrouwde hoofd terug. In het echt. In Museum De Fundatie in Zwolle is momenteel de verzameling Biedermeier-schilderijen van de vorst van Liechtenstein te zien. Een mooi gemaakte tentoonstelling van overwegend lelijke kunst. Veel te gesuikerde negentiende-eeuwse rijkeluisportretten. Bloemstillevens in technicolor. Om te herstellen bekeek ik de vaste collectie van het museum, met onder andere een getekend landschap van Van Goyen. Grote ruimte op een klein formaat.

In een zaaltje dat aan Ter Borch is gewijd – Zwolles beroemdste schilder – hangt tijdelijk diens portretje van Jan van Goyen. Het blijkt tot de collectie van de vorst van Liechtenstein te behoren en is kennelijk met zijn Biedermeier-kunst mee geleend. Het was een goed weerzien. Ik maakte een detailfoto voor thuis.

Nu is Van Goyens gezicht mijn bureaubladafbeelding. Groot, scherp en in kleur. Steeds als ik mijn computer aanzet, word ik begroet door een van mijn lievelingsschilders.