Schelle stemmen, luid

Hoe klinkt Nederland? De Nederlanders zijn luidruchtig. Schelle stemmen, luid, vaak in overdrive. Acuut groepsgedrag. Zoals tijdens het WK voetbal. Oranjegekte. Of bij de Elfstedentocht. Maar ook op vakantie. Joelende Nederlanders, dat is een archetype. Een Nederlander meent iets te zeggen te hebben. Een mening die hij niet voor zich kan houden. Eigendunk – omdat Nederland zo laag ligt, vloeit de beschaving er vanzelf naartoe, zoals zand naar het verdwijnpunt van een zandloper. Waar zit de subtiliteit? Dat wat onbenoemd kan blijven, maar toch begrepen wordt. Wat een Belgische Kempenaar zo goed in de vingers heeft. Iets mededelen zonder iets te zeggen. Dat aanvoelen.

Nederland is ook het snerpen van schaatsen op ijs, het stugge, monotone voortglijden op metalen staafjes, neus tegen de grond, handen op de rug, zonder omzien. Het heeft iets van lemmingen. Winterpret. En het klunen, het onbeholpen horizontale klauteren op de begane grond. De Nederlander wijkt niet.

Het carillon, het draaiorgel, het gerammel van geld in een blikken doosje, de smartlap, allemaal Nederlands. Op markten, pleinen, in winkelstraten, waar het volk te hoop loopt.

Het Wilhelmus. De schriele volle borst. De vermanende taal.

Je hoort het gammele Frans, het verminkte Engels opklinken, maar het Nederlands wordt beknot, afgeplat, gekortwiekt. De zuinigheid in de taal, op de woorden, de synoniemen, op de al te uitbundige, rare uitdrukkingen. Liever ongeveer Engels, ongeveer Frans, dan het Nederlands op te jutten, op te stuwen, uit te zingen, te durven een tong draaien.

Je speelt orgel in zijn gat en nog vraagt hij waar het kermis is.

Vlaming Elvis Peeters schrijft met Nicole Van Bael. ‘De ontelbaren’ stond op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2006.