Politiek en pers zijn cynisch over elkaar

Oud-premier Balkenende hekelde na zijn afscheid openlijk de pers, Tweede Kamerleden roemen juist de relatie met de media. Sommigen dan. ‘Hahaha, wat vindt u zelf? ;-)’

Den Haag, 4 jan. - Toen Frits Bolkestein ruim een decennium geleden afscheid nam als VVD-leider, hoorde Nederland zijn genadeloze oordeel over „het journaille”, zoals hij de parlementaire pers aansprak. „Journalisten knielen voor de macht”, klaagde Bolkestein. En: „Wanneer zullen de media ophouden zelf nieuws te maken?”

Elf jaar later zijn dit soort ontboezemingen bon ton geworden: Jan Peter Balkenende hekelt diezelfde pers nu openlijk en met bijval. In een eerste interview sinds zijn aftreden als partijleider, dat vorige week verscheen in het tijdschrift Christen Democratische Verkenningen, constateerde Balkenende dat journalisten nog slechts zijn geïnteresseerd in „lekkere quotes en conflicten”.

Des te opvallender is het dat 37 van 43 nieuw aangekomen Tweede Kamerleden bijzonder mild oordeelden over de parlementaire pers, in een peiling die deze krant verrichtte naar hun eerste bevindingen in politiek Den Haag. Wat vinden ze van het niveau van de journalisten in Den Haag? Ze kruisten „valt mee” aan. Sommigen voegden daar zelfs aan toe dat ze het liefst „goed” hadden aangekruist als dat tot de mogelijkheden had behoord. Slechts zes van hun collega’s kozen voor „valt tegen”.

In de analyse bij de peiling werd vorige week deze vraag naar het niveau van de pers bewust buiten beschouwing gelaten. Hoe betrouwbaar kan het immers zijn als de vragenstellers zelf parlementair journalisten zijn? Goed, de Kamerleden was anonimiteit beloofd opdat ze zo eerlijk mogelijk konden antwoorden. Maar voor de peilende journalisten, wijzelf, waren ze natuurlijk niet anoniem.

Is de overheersende problematiek betreffende Haagse verslaggeving niet juist de onderlinge afhankelijkheid tussen politici en journalisten? Het verlangen naar aandacht van de politicus, en de jacht op primeurs en achtergrondinformatie van de journalist. Met zulke belangen wil je wel elkaars vriend blijven, ook als je een enquête invult.

Niet voor niets noteerde een van de Kamerdebutanten als antwoord: „Dit ligt heel genuanceerd.” Met daarachter een grijnzende emoticon, het internationale teken voor ironie. Een ander schreef: „Hahaha, wat vindt u zelf?” Opnieuw een lachebekje.

Duidelijk: journalisten zijn minder goed geëquipeerd om de opvattingen van politici over de pers te peilen. En dus is de vraag: wat constateerden wetenschappers eerder over die opvattingen? In 2006 vroegen politicologen Kees Brants, Philip van Praag en Claes de Vreese aan zestig Kamerleden hun gedachten over Haagse verslaggeving. Te veel op incidenten gericht, zei 75 procent van hen. Journalisten, zo menen de volksvertegenwoordigers, zijn te veel met ‘het politieke bedrijf’ bezig, wat ten koste gaat van de aandacht voor de beleidsinhoud.

Bovendien wantrouwen Kamerleden de motieven van het journaille. 37 procent denkt dat ‘de meeste journalisten’ voornamelijk hun verlangen najagen om zelf macht uit te oefenen. En slechts 34 procent gelooft dat ‘de meeste journalisten’ politiek onafhankelijk zijn.

Opvallend genoeg gelooft ook slechts 58 procent van de journalisten in de eigen politieke onafhankelijkheid. En vindt met de politici 48 procent van de pers dat te weinig wordt gekeken naar beleidsinhoud. Door de eigen beroepsgroep.

De wetenschappers, die hun resultaten vorig jaar publiceerden in de vakbladen Bestuurskunde en het Amerikaanse The International Journal of Press/Politics, concluderen dat beide beroepsgroepen cynisch over elkaar én over de politiek denken. Niet verwonderlijk dus dat ook kiezers een niet al te fraai beeld hebben van de politiek. Aldus de wetenschappers.

Ook de nieuwe Kamerleden lieten ondanks hun „valt wel mee”, in de over-en-door-journalisten-peiling wel iets van hun cynisme over de parlementaire verslaggeving zien. Behalve de vraag over het niveau, kregen ze ook voorgelegd: „media krijgen soms het verwijt zich te zeer op hypes te concentreren en te weinig op inhoud; ervaart u dat ook zo?” 21 Kamerleden zeiden ja, 17 nee en 5 soms/weet niet.

De kleine meerderheid die hypes constateerde, maakte bijna altijd gebruik van de mogelijkheid het antwoord toe te lichten. Soms zeer uitgebreid. Daarin valt een reeks zinnen op.

„Het is allemaal te rellerig” (een VVD’er). „Er is een hypecultuur. Dit komt ook omdat de verschillende media ernaar streven hetzelfde nieuws net weer anders te brengen” (opnieuw een VVD’er). „De ruimte om je verhaal te doen is zeer beperkt” (PvdA’er). En met een verwijzing naar de incidenten rond PVV-Kamerleden zegt, opnieuw een PvdA’er: „Veel aandacht voor het verleden van Kamerleden, weinig aandacht voor de tezelfdertijd gevoerde begrotingsbehandelingen.” Een Kamerlid namens D66 verwijt ten slotte haar – politieke – collega’s al te zeer „mee te gaan” in de hypes waar journalisten zich op concentreren.

Is alle waargenomen ellende terug te voeren op de veel geconstateerde verstrengeling tussen politici en journalisten? Is het allemaal zo klef in Den Haag dat beide beroepsgroepen niet meer met de ogen van kiezers en lezers naar elkaar kunnen kijken? Dat is wel de voornaamste oorzaak die de wetenschap noemt.

Een simpel antwoord is niet voorhanden. Een tegengestelde oplossing komt namelijk van een VVD’er die behoorlijk teleurgesteld is over het niveau van Haagse journalisten („hierin moet ik eerlijk zijn”). Hij zegt in het gedeelte van het land waar hij eerder politicus was juist gewend te zijn geraakt aan méér persoonlijk contact met journalisten. Dat mist hij zo rond het Binnenhof.

„Ik heb hier de indruk dat er soms maar wat geschreven wordt op basis van veronderstellingen. Zaken worden klakkeloos overgenomen van andere media.”