Op zoek naar goedkope Rembrandts

Oliemiljonair Getty hield dagboeken bij waarin hij noteerde hoe hij zijn kunstcollectie opbouwde tijdens buitenlandse reizen. „Dutch painting of the 17th century is tops!”

De Rembrandts waren goedkoop in de jaren dertig. Als een echte kapitalist begreep oliemiljonair J. Paul Getty dat een groeiend aanbod zorgde voor lage prijzen. Door de opkomst van de nazi’s waren er in Europa velen die van hun oude meesters af moesten. „De dreigende oorlog had de bodem onder de prijzen voor kunst weggeslagen”, noteerde Getty terugblikkend in 1976.

Maar zijn belangstelling ging dieper dan alleen lage prijzen, zo blijkt uit zijn dagboeken die gisteren op internet zijn verschenen. „De Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw is top”, schreef hij in 1938 na een bezoek aan het Rijksmuseum. Op een veiling in Amsterdam kocht hij dat jaar Rembrandts schitterende portret van de graanhandelaar Marten Looten uit 1632 voor de bodemprijs van 65.000 dollar.

Jean Paul Getty (1892-1976) was een fenomenaal zakenman en sinds de jaren dertig een groot liefhebber van de kunsten. In de jaren vijftig was hij met een vermogen van 2 tot 4 miljard dollar de rijkste man van Amerika. Daardoor kon hij zijn liefde voor kunst volop uitleven.

In 1953 stichtte hij de J. Paul Getty Trust, die nog steeds een van de rijkste kunstinstellingen ter wereld is. Zijn collectie – van antieke beelden tot Franse meubels, oude meesters en moderne kunst – vormen de basis van het J. Paul Getty Museum, dat deels gehuisvest is in zijn in Romeinse stijl gebouwde villa in Hollywood. Zijn nalatenschap ging naar de trust, die daarmee tal van projecten, restauraties en onderzoekers in de kunstwereld ondersteunt.

Getty verdiende zijn eerste geld in de olie, werd rijk tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig en sloot in 1949 een contract met Koeweit dat hem zestig jaar lang de olierechten gaf. Niet dat er toen al olie gevonden was, maar dat liet niet lang op zich wachten. In zijn populaire boek How to be rich geeft Getty zijn formule voor succes prijs: 1. Vroeg opstaan; 2. Hard werken; 3. Olie vinden.

Zijn dagboeken, verzameld in 29 goedkope ringbandjes die je op elke straathoek kon kopen, beslaan duizenden dicht beschreven pagina’s waarin Getty vertelt over wat hij dagelijks meemaakte en wat hij dacht. Het eerste deeltje begint in 1938 en hij bleef schrijven tot vlak voor zijn dood in 1976. In korte, nuchtere zinnetjes noteerde hij wat en waarom hij aankocht en hoeveel hij ervoor betaalde. Dat maakt zijn dagboeken voor kunsthistorici een boeiende bron die het mogelijk maakt om één van de grote Amerikaanse verzamelaars van de vorige eeuw stap voor stap te volgen bij de opbouw van zijn collectie.

De dagboeken waren lang ontoegankelijk door een conflict tussen de familie en een handelaar in manuscripten, maar de Getty Trust wist ze onlangs te verwerven en kondigde op 27 december in een blog op de website van de Getty Trust de openbaarmaking aan. De trust vraagt nu de medewerking van iedereen op internet om de gescande pagina te ontcijferen en over te typen. Dat zal bij de oudste dagboeken nog wel gaan, maar Getty’s handschrift takelt snel af en is volgens de blog van de trust aan het eind van zijn leven zo krasserig dat het nog nauwelijks herkenbaar is als tekst.

In 1938 is J. Paul Getty lange tijd in Europa en bezoekt onder meer Versailles, Londen, Wenen en Berlijn. Op 29 september 1938 rijdt hij van Bad Bentheim in Duitsland naar Amsterdam. Onderweg valt hem het grote aantal militaire wegversperringen op. „Een brug van mijnen voorzien. Klaar om opgeblazen te worden. Verbaasd over tekenen van oorlog in Holland.”

Die dag arriveert hij bij het Amstel Hotel in Amsterdam. „Nieuws over de bijeenkomst in München belooft vrede.” Hitler en Chamberlain tekenden die dag het Verdrag van München.

Op 1 oktober gaat hij naar Goudstikker, die op de Herengracht een van de belangrijkste kunsthandels van Europa drijft. In zijn dagboekje noteert Getty wat hij te zien krijgt: „2 aardige Bouchers – 180.000 g. – één miniatuur Rembrandt, Saskia, 42.000 g. Frans Hals 90.000 g.” Enzovoort. De prijzen zijn redelijk volgens Getty.

Hij maakt een tripje naar Volendam dat hij ondanks de stromende regen zeer pittoresk vindt. De jongens en meisjes daar zijn volgens hem meer dan gemiddeld knap om te zien. De volgende dag luncht hij op kasteel Nijenrode bij Goudstikker thuis. Diens Weense vrouw vindt Getty zeer charmant. Van Goudstikkers meubilair is hij niet onder de indruk, wel van de vele mooie Ruisdaels aan de muur.

Na het eten gaat hij snel terug naar Amsterdam en bezoekt het „Reiksmuseum”. Hij schrijft dat hij van de dertig minuten dat hij daar verblijft de meeste tijd voor De Nachtwacht staat. „Wat een glorieus schilderij! Waarde$ 4.000.000.”

Op 5 oktober ontvangt Getty kunsthandelaar Katz uit Dieren die hem vijf Rembrandts laat zien. Daarna terug naar het Rijksmuseum: „Geweldige collectie schilderijen. Dutch painting of the 17th century is tops. Moderne Nederlandse schilders zijn Van Dongen en Sluyters.”

Later die dag in het Rembrandthuis voelt hij zich in het „heilige der heiligen”. „De luiken die hij sloot om het licht te reguleren zijn er nog.”

Na Amsterdam reist hij via Zandvoort en het Mauritshuis in Den Haag – „prachtige galerij van schilderijen” – naar Rotterdam. Op 4 oktober 1938 noteert hij daar: „Rotterdam is een prima stad,Boijmans museum bezocht. Speciale tentoonstelling 4 masters. 1 g. toegangsprijs. Fantastische Nederlandse 17de-eeuwse schilderijen.” Over de impressionisten in Boijmans is hij niet te spreken, maar de „jonge Rembrandt” die hij er zag is een „fantastisch” portret. Mogelijk doelt hij op het portret van Rembrandts zoon Titus.

Later in zijn leven had Getty ook wel eens spijt. Na het lezen van een boek over „Grote Collecties” schreef hij in 1967: „Die van mij is vergelijkbaar met de andere, behalve wat de impressionisten betreft. Ik had in de jaren dertig een dozijn Renoirs moeten kopen, in plaats van één, plus wat Monets, Pissaros, Degassen, Manets, en minder wandtapijten en vloerkleden. Maar ik houd van mijn tapijten en kleden zelfs als ze niet twintigmaal meer waard zijn geworden zoals de impressionisten.”

De Rembrandt die hij in Amsterdam kocht schonk hij nog tijdens zijn leven aan het Los Angeles County Museum of Art.

Getty’s gescande dagboeken zijn te vinden op: getty.edu