'Noordkaper' op oude aquarel toch bultrug

Twee zeezoogdiervondsten in de Lage Landen zijn nu geïdentificeerd: een bultrug op een Vlaamse aquarel en oude orkawervels bij Velsen.

Nee, het was geen dode noordkaper, maar een bultrug die in 1751 door vissers naar het strand van Blankenberge (tegenwoordig in België) werd gebracht. Tot die conclusie komen de Nederlandse walvisexpert Kees Camphuysen en zijn Belgische collega’s Jan Haelters en Francis Kerckhof in het jongste nummer van Lutra, het Nederlandse wetenschappelijke tijdschrift voor zoogdierkunde. Van de walvisstranding bij Blankenberge was een aquarel bekend, aan de hand waarvan verschillende onderzoekers in de jaren zestig concludeerden dat het afgebeelde dier een noordkaper (Eubalaena glacialis) moest zijn.

Maar moderne ogen zien het anders. Gerard Peet, die samen met Camphuysen een boek over walvissen in de Noordzee zou schrijven, ontdekte tijdens vooronderzoek bij toeval dat de aquarel in het bezit was van het New Bedford Whaling Museum in de Verenigde Staten.

Toen Camphuysen de eeuwenoude waterverftekening onder ogen kreeg, zei hij al meteen dat de walvis geen noordkaper kon zijn. De gekartelde staartvin en zijvin, het vlekkenpatroon op de vinnen en buik en het ontbreken van kenmerkende groeven op de buik van het dier wezen erop dat de soorten zijn verward.

En er was meer: op de tekening was ook een zeepok afgebeeld, een parasiet die veel voorkomt op de huid van bultruggen, maar niet op noordkapers. Camphuysen liet de zeepok door deskundigen identificeren als Coronula diadema, een duidelijke aanwijzing dat het ging om een bultrug (Megaptera novaeangliae).

De aquarel, geschilderd door de bekende Vlaamse kunstenaar Jan Karel Verbrugge, bleek bij nadere bestudering een kopie van een andere aquarel. Iemand had dat er in het Frans onder geschreven. Jan Haelters spoorde het origineel op in de gemeentebibliotheek van Kortrijk, in de omvangrijke collectie van de Kortrijkse industrieel Jacques Goethals-Vercruysse. „Toen was het meteen duidelijk”, zegt Camphuysen aan de telefoon. „Op het origineel stond behalve de walvis en de zeepok ook een balein van de walvis afgebeeld. Dit was onmiskenbaar een bultrug.”

Een stranding van een noordkaper zou Camphuysen aan het einde van de achttiende eeuw ook niet meer verwacht hebben. Deze walvissoort, waarop sinds de Middeleeuwen intensief is gejaagd, was toen al zeldzaam geworden in de Noordzee, zegt hij. De enige overgebleven waarneming van een gestrande noordkaper dateert nu van 1178 toen een karkas van dit dier aanspoelde bij Oostende.

Met de nieuwe interpretatie van de aquarel is de stranding bij Blankenberge de oudste en enige historische waarneming van een bultrug in de zuidelijke Noordzee. Hoewel de dieren van oudsher van de Golf van Biskaje naar Spitsbergen trekken en de Noordzee op de route ligt, zijn er geen andere oude waarnemingen.

Sinds 2003 zijn er wél weer zes strandingen van bultruggen gemeld. Volgens Camphuysen is dat geen biologisch herstel van de situatie van voor de opkomst van de walvisjacht, maar gaat het om een noviteit. „Bultruggen foerageren nu in de Noordzee. Dat hebben ze nooit eerder gedaan.”

In hetzelfde nummer van Lutra beschrijven archeoloog Jørn Zeiler en walviskenner Erwin Kompanje de oudste orkavondst in Nederland. Het gaat om een lende- en een staartwervel van het dier die zijn gevonden in de slotgracht van het voormalige kasteel Bredero bij Velsen. Het kasteel werd in 1573 volledig verwoest door Spaanse troepen en werd kort daarna ondergestoven door duinen. In 1996 groeven archeologen de ruïne deels op waarbij ook twee ‘walvisbotten’ werden aangetroffen. Bij nadere bestudering blijken die nu afkomstig van een vrouwelijke orka. Daarmee is het de oudste Nederlandse vondst van deze soort.

Zeiler en Kompanje vermoeden dat het dier door de kasteelbewoners is opgegeten, alvorens de resten met het andere keukenafval in de slotgracht werden gesmeten. „In de Middeleeuwen golden zeehonden, dolfijnen en walvissen als delicatesse”, zegt Zeiler. „En omdat walvissen als vissen gezien werden, kon het vlees tijdens vastendagen gegeten worden.”

Camphuysen is wat sceptischer: „De wervels kunnen overal vandaan komen. Er is ook wel eens een schouderblad van een noordkaper aangetroffen in Tiel.”