Niet elk egodocument is per definitie creatief en persoonlijk

Met de modieuze term ‘creatieve documentaire’ moet je erg voorzichtig zijn. Sinds een tijdje hanteren beleidsmakers het als een onderscheidend criterium om verschil te maken tussen anonieme reportages en persoonlijke documentaires, waarin de hand van de maker zichtbaar wordt.

In eerste instantie werd daarmee gedoeld op een eigen stijl, een herkenbaar handschrift. In de praktijk wordt die eis vaak gemakzuchtig ingevuld door een voice-over in de eerste persoon van de regisseur, die aan het begin van zijn film meldt dat hij op zolder een fotoalbum van zijn grootvader vond. Dat volstaat voor sommige opdrachtgevers of subsidiënten als blijk van persoonlijk engagement, ook in de vormgeving.

Toen ik de aankondiging las van de rubriek Dokument (NCRV) over Omars schuld vreesde ik iets in die trant. Regisseur Michiel Brongers werd in 2008 bij het verlaten van een café op de trambaan aangereden door een auto. Twee verbrijzelde benen en een gebroken neus waren het gevolg, maar ook een obsessie met de automobilist die hem dit had aangedaan. Daar maken we een documentaire van.

De aangename verrassing is dat Omars schuld verre blijft van clichés over slachtofferschap, falende politie en justitie en andere narcistische klaagzangen. Dat komt met name door de echt creatieve vormgeving, die home movies over revalidatie en gekneusd gezinsleven vermengt met vrij nuchtere getuigenverklaringen van Brongers’ vrienden, die hem letterlijk hadden opgeraapt.

Het proces-verbaal achtte geen schuld bewezen van de automobilist en de hoofdpersoon overwoog daar geen genoegen mee te nemen, omdat hij het onverdraaglijk zou vinden als hij zelf verantwoordelijk zou zijn geweest.

De catharsis bestaat uit een telefoongesprek met de mythologisch geworden chauffeur Omar. Die houdt vol dat het slachtoffer zelf een stap achteruit had gezet, toen hij hem probeerde te ontwijken. De filmmaker besluit dat het geen zin heeft om in zijn onbewezen wrok te volharden en pakt zijn leven weer op.

In vergelijking met zo’n zorgvuldig losjes gehouden, filmisch overtuigende documentaire, valt een traditioneel egodocument als Erica op reis (MAX) zwaar op de maag. De spreekwoordelijke charme en spontaniteit van Erica Terpstra maken veel goed, vooral wanneer de voormalige topsporter terugkeert naar Java, waar ze als kind enkele jaren woonde.

Aan de rand van een verkommerd zwembadje in Sukabumi vertelt ze ontroerd hoe ze daar leerde zwemmen.

Daarna volgt Terpstra in het eenmalige reisprogramma in Bali de sporen van bestsellerauteur Elizabeth Gilbert. Erica heeft iets met spiritualiteit, dus bezoekt ze de natuurgenezers en masseurs die prominent figureren in Eat Pray Love.

Het wil maar geen algemene betekenis krijgen. Een innemende hoofdpersoon vormt nog geen garantie voor goede televisie.