Ik wil me niet op de borst kloppen

Eén ding is zeker van de beste boeken van 2011: we weten nog niet wat erin staat, want ze zijn nog niet verschenen en in veel gevallen nog niet geschreven. Wel zijn er boeken die hun schaduw vooruitwerpen, door een spectaculair onderwerp of doordat de auteur van zich heeft doen spreken. Voor A.H.J. Dautzenberg geldt dat allebei: hij debuteerde drie maanden geleden met de bejubelde verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. En over drie maanden verschijnt zijn tweede boek: Samaritaan. Daarvan staat alleen het onderwerp al garant voor spektakel: het beschrijft hoe de schrijver een van zijn nieren weggaf aan een onbekende.

Het zal de ster van Anton Dautzenberg alleen maar verder omhoog doen schieten – waarbij ook zijn persoonlijkheid een handje helpt. „Kun je het aantal erecties tellen dat je tijdens het lezen krijgt? (een onderzoekje)”, mailt Dautzenberg twee dagen voor het interview. Die vrijpostige vraag past in het imago dat hij tot nu toe heeft opgebouwd. De verhalen in zijn debuutbundel zijn fysiek, absurd, vaak grappig, soms gevoelig en altijd verrassend. De thema’s variëren van een eenzame kunstenaar op Vlieland tot een kind dat met Kerst een kartonnen doos met daarin ‘twee vechtende negers’ cadeau krijgt. In een interview dat hij voor de VPRO-gids maakte met Arnon Grunberg beschreef Dautzenberg hoe hij bij de schrijver (een van zijn voorbeelden) een mee-eter uitdrukt, een gang van zaken die door Grunberg overigens werd weersproken.

In werkelijkheid presenteert Dautzenberg zich als een vriendelijke Limburger van 43 (grootvader in de mijnen, vader in de fabriek), die nu in Tilburg woont. En die blij is als blijkt dat zijn boek geen seksuele opwinding veroorzaakt. „Mijn boek is door een eerdere uitgever afgewezen omdat het pornografisch zou zijn. Dan heb je echt niet begrepen waar het om draait. Als ik een verhaal schrijf over de aantrekkingskracht van een jong meisje in een bos, vindt men het te ver gaan, zonder te zien dat het vol staat met filmtitels van Roman Polanski.”

Het heeft lang geduurd voordat u debuteerde.

„Ik ben een laatbloeier. Het heeft me jaren gekost om een zeer dwingende verlegenheid te overwinnen. Pas een paar jaar geleden ben ik hier en daar gaan publiceren. Bovendien wilde ik uit een veilige positie schrijven. Sinds een paar jaar heb ik een communicatiebureau. Daar leef ik van.”

U geeft pr-adviezen en schrijft brave interviews met bestuurders.

„Ja, dat is mijn hoererij, en dat bedoel ik niet onvriendelijk. De ene keer zijn de interviews ook braver dan de andere keer. Het is al te makkelijk om daar een negatief oordeel over te hebben.”

Het contrasteert wel met verhalen waarin zomaar een koperen kraan uit de rug van een vrouw kan groeien.

„Het is een beetje Dr. Jekyll en Mr. Hyde, maar het bedrijfsleven is een omgeving waarin je veel gekkigheid tegenkomt en waarin je ideeën krijgt. Soms zit ik uren in een vergadering en stel ik me voor hoe iemands gezicht van zijn hoofd valt. Daar schrijf ik dan een verhaal over. Ik projecteer mijn anarchie graag op anderen.”

Achterin uw boek noemt u een hele lijst inspiratiebronnen, van Kafka en Roland Topor, tot Reve en Camus.

„Ik kom niet uit een erg ontwikkeld gezin. Toen ik een jaar of twintig was, raakte ik verslingerd aan het werk van Herman Brusselmans. Ik herkende me helemaal in boeken als De man die werk vond en Zijn er kanalen in Aalst, reisde naar Gent om daar net als Brusselmans in het café te zitten. Via Brusselmans heb ik Gerard Reve ontdekt, dat was een ongelooflijke ervaring. Ik ben een van de mensen die elk jaar eind december De avonden herlezen. En ik ontdek er elk jaar iets nieuws in.”

En Camus?

„Ik ben niet gelovig, maar ik ben wel in een zeer katholieke omgeving opgegroeid, vol van Maria met haar stoute bips en tietjes. Wat Camus schreef over de zinloosheid van het bestaan en over absurdisme heeft diepe indruk op me gemaakt. In mijn verhalenbundel staat een verhaal dat ‘Het Wilde Denken’ heet, een begrip van Levi-Strauss. In dat verhaal wordt een meneer Strauss in stukken gesneden. Ik probeer een abstracte interpretatie van dat wilde denken te maken, met absurdisme als kapstok .”

U heeft net het manuscript van uw tweede boek ingeleverd, over hoe u een nier aan een onbekende heeft gedoneerd.

„Ik wilde eigenlijk niet over die nier schrijven om mezelf niet op de borst te kloppen. Altruïsme is een leeg begrip. Ik krijg veel terug voor die nier. Het gevoel dat je goed doet, is in wezen egocentrisch. Ik vond het interessant om mijn motieven te onderzoeken. Die zijn niet per se zuiver: ze hebben ook met eigenwijsheid te maken, met het overlijden van mijn vader vorig jaar, misschien ook met masochisme. Intussen draait mijn nier als een tierelier in een vader van veertig jaar.”

Het klinkt als een bestseller: hoe ik mijn leven zin gaf door het leven van een onbekende te redden.

„De vorm is niet zo publieksvriendelijk. Het boek bestaat van het begin tot het einde uit dialogen, 33 in totaal. Dat getal verwijst naar het vagevuur in de Divina Commedia van Dante. Het boek was voor mij een soort vagevuur.

A.H.J. Dautzenberg: Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Contact, 296 blz. € 19,90. Samaritaan verschijnt eind april.