Het einde van het kapitalisme van de machtigen en de rijken

Het Chinese groeimodel heeft zijn grenzen bijna bereikt, betoogt econoom Yu Yongding. De eenzijdige afhankelijkheid van de export, de gigantische vervuiling en de groeiende kloof tussen arm en rijk nopen tot structurele hervormingen. Hoe langer die worden uitgesteld, des te pijnlijker ze worden.

Met een jaarinkomen per hoofd van de bevolking van 3.800 dollar (2.860 euro) is China toegetreden tot de groep landen uit de middenmoot. Maar ook al zijn economen en strategen druk in de weer de toekomstige groei van China te extrapoleren om te kunnen voorspellen wanneer het land de Verenigde Staten zal inhalen, de stemming in China zelf is in 2010 somberder geworden. Premier Wen Jiabao ziet China’s groei zelfs als „instabiel, onevenwichtig, ongecoördineerd en uiteindelijk onhoudbaar”.

Uiteraard is in geen enkel land is de economische groei ooit lineair geweest. Door de hele geschiedenis heen zijn er talloze voorbeelden van landen uit de middencategorie die daar tientallen jaren zijn blijven steken en/of uiteindelijk zijn teruggevallen naar de status van een land met een laag gemiddeld inkomen. De met de Nobelprijs gelauwerde econoom Michael Spence heeft erop gewezen dat slechts een handvol landen er na de Tweede Wereldoorlog in is geslaagd te groeien naar het niveau van een volledig geïndustrialiseerde economie.

De vooruitgang van China in de afgelopen dertig jaar is een succesvolle variant op het Oost-Aziatische groeimodel, voortgekomen uit de door een socialistische planeconomie nagelaten uitgangspositie. Dit groeimodel heeft nu bijna zijn grenzen bereikt. Daarom is China op een cruciaal kruispunt aangekomen: zonder pijnlijke structurele aanpassingen kan plotseling de vaart uit de economische groei verdwijnen.

China’s snelle groei is verwezenlijkt tegen extreem hoge kosten. Slechts toekomstige generaties zullen de werkelijke prijs weten. Het investeringsniveau van het land bedraagt nu meer dan 50 procent – een duidelijke aanwijzing voor de lage kapitaalefficiëntie.

Er kleven twee zorgwekkende aspecten aan dit hoge percentage. In de eerste plaats beïnvloeden lagere overheden een groot deel van de investeringsbeslissingen. In de tweede plaats nemen de investeringen in onroerend goed bijna een kwart van het totaal voor hun rekening.

Sommige lokale overheden graven letterlijk gaten en vullen die vervolgens weer op om het bruto binnenlands product te schragen. Als gevolg daarvan zijn er eenvoudigweg te veel luxueuze wooncomplexen, schitterende overheidsgebouwen en hoge wolkenkrabbers gebouwd. De hotels in Chinese provinciesteden doen de vijfsterrenhotels in westerse hoofdsteden verbleken.

China is een van de meest vervuilende landen ter wereld geworden. De steden worden verstikt door stof en smog. Alle grote rivieren van het land zijn zwaar verontreinigd. Hoewel er vooruitgang is geboekt, zijn de ontbossing en de verwoestijning nog steeds ernstig.

Droogten, overstromingen en aardverschuivingen zijn in China de gewoonste zaak van de wereld. Een meedogenloze exploitatie zorgt voor een snelle uitputting van het Chinese reservoir aan natuurlijke hulpbronnen.

Nu de verhouding tussen China’s handel en het bruto binnenlands product en tussen China’s export en het bruto binnenlands product de 60 respectievelijk 30 procent heeft overtroffen, kan de economie niet langer afhankelijk blijven van de externe vraag ter ondersteuning van de groei.

Helaas is deze afhankelijkheid, met een grote exportsector die miljoenen werknemers in dienst heeft, structureel geworden. Dit betekent dat het terugdringen van China’s afhankelijkheid van de handel en het overschot op de handelsbalans veel méér is dan louter een zaak van het aanpassen van het macro-economisch beleid.

Na decennia van snelle groei is China de werkplaats van de wereldeconomie geworden. Het probleem is dat dat alles is: gebrek aan innovatie en creativiteit vormt de achilleshiel van de economie. Met een productie van 17 miljoen auto’s afgelopen jaar is China in termen van volume nu bijvoorbeeld ’s werelds grootste autoproducent geworden, maar het aantal modellen dat door Chinese autoproducenten is ontwikkeld is verwaarloosbaar.

In een tijdperk van snelle technologische vooruitgang, creativiteit en innovatie kan het mondiale economische landschap snel veranderen. Zonder een krachtig vermogen tot innovatie en creativiteit heeft zelfs een reus lemen voeten. En als een reus omvalt, zullen velen pijn lijden.

Hoewel de Chinese levensstandaard de afgelopen dertig jaar dramatisch is gestegen, is de kloof tussen arm en rijk veel groter geworden. De inkomensverdeling heeft de rijken te lang bevoordeeld, en de regering is er niet in geslaagd de publieke dienstverlening op orde te krijgen. Nu de tegenstelling tussen de opzichtige levensstijl van de rijken en de trage verbetering van de levensomstandigheden van de armen tot sociale spanningen leidt, is het wachten op een reactie.

Als het China niet lukt zijn structurele problemen tijdig aan te pakken, zal de groei waarschijnlijk niet duurzaam blijken. Elke structurele aanpassing is pijnlijk. Maar hoe langer het uitstel, des te pijnlijker het zal worden. De sterke begrotingspositie van China vandaag de dag biedt het land mogelijkheden. Maar die zullen snel verdwijnen, omdat de begunstigden van specifieke hervormingen de behartiging van hun belangen inmiddels hebben ondergebracht in gevestigde lobbygroepen, die hard vechten om te behouden wat zij hebben.

Wat het Chinese publiek het meest verafschuwt, is het samenspel tussen overheidsfunctionarissen en zakenmensen, door de gerespecteerde Chinese econoom Wu Jianglian beschreven als het „kapitalisme van de machtigen en rijken”. Het doorbreken van dit onzalige bondgenootschap zal de grootste uitdaging voor het Chinese leiderschap in 2011 en daarna zijn.

Onder de huidige institutionele omstandigheden in China is meritocratie een voorwaarde voor goed bestuur. Maar deze meritocratie is ondermijnd door een politieke cultuur van pluimstrijkerij en cynisme. Dus opnieuw heeft de dialectiek van de economische ontwikkeling politieke hervomingen op de kaart gezet.

De opkomst van China heeft in het buitenland bewondering, jaloezie, achterdocht en in sommige gevallen zelfs regelrechte vijandigheid gewekt. Hoe vaak de Chinese leiders ook elke hegemoniale ambitie verwerpen, de zorgen over de werkelijke bedoelingen van China blijven bestaan.

Dat is ook begrijpelijk: de opkomst van nieuwe machten betekent altijd een ontwrichting van de gevestigde internationale orde. Als deze nieuwe macht een natie van 1,3 miljard mensen is, die wordt beheerst door een vreemde politieke ideologie, zal die opkomst des te meer ongemak oproepen.

Gelukkig is de opkomst van China, dankzij de globalisering, in ieders belang, evenals de opkomst van andere ontwikkelingslanden. De komende jaren moet en zal China op terreinen als klimaatverandering, mondiale onevenwichtigheden en hervorming van het internationale monetaire stelsel als een belangrijke deelnemer een actievere rol vervullen. Dan is het overbodig om te zeggen dat wederkerigheid noodzakelijk zal zijn.

© Project Syndicate

Vertaling: Menno Grootveld