Geboetseerd hoofd bezorgde hem vaak rollen als slechterik

Een echte karakteracteur, die iets verontrustends en gevoel voor humor meegaf aan zijn rollen.

Als het niet die tongbrekende naam was, dan toch zeker die markante kop met die altijd opgepoetste jukbeenderen. Maar de Engelse acteur Pete – Peter William – Postlethwaite (spreek uit: posselth-weet) had behalve zijn naam en dat geboetseerde voorkomen ook als acteur dat speciale iets waardoor je hem niet snel kon vergeten. Dat zat ’m in z’n ogen, die tegelijkertijd zowel melancholiek als genadeloos konden kijken, of hij nu een ten onrechte veroordeelde vader speelde in het IRA-drama In the Name of the Father (1993; Oscarnominatie Beste Mannelijke Bijrol) of de raadselachtige Kobayashi in misdaadthriller The Usual Suspects (1995). Afgelopen zondag overleed hij in een ziekenhuis in Shropshire aan kanker. Hij was 64 jaar.

Postlethwaite werd opgeleid in het Engelse repertoiretheater en brak eind jaren tachtig in de bioscopen door met het working class-tweeluik Distant Voices, Still Lives (1988). Met de Nederlandse acteur Rutger Hauer stond hij in de sciencefiction B-film Split Second (1992) in futuristisch Londen.

Hollywoodgigant Steven Spielberg, die hem in de jaren negentig voor twee films tegelijk castte, slavernijdrama Amistad en The Lost world, het tweede deel van avonturenfilm Jurassic Park, noemde hem „waarschijnlijk de beste acteur ter wereld’’, waarop Postlethwaite met gevoel voor understatement zou hebben gereageerd: „Ik weet zeker dat hij heeft gezegd dat Pete dénkt dat hij de beste acteur ter wereld is.’’

Zoals het een echte karakteracteur betaamt, een wat vleiender omschrijving voor de bijrolacteur die hij ondanks zijn enorme staat van dienst altijd is gebleven, zijn die bescheidenheid en dat onderkoelde gevoel voor humor karakteristiek voor wat hij zijn rollen meegaf. De gedachte dat niets helemaal is wat het lijkt. Iets kameleontisch en verontrustends. Iets onbetrouwbaars ook, wat nog versterkt werd door het feit dat hij door zijn uiterlijk vaak louche randfiguren en griezels te spelen kreeg.

De Amerikaanse filmcriticus Roger Ebert omschreef hem eens als „iemand die te lang in de regen heeft gestaan.’’

Al die dubbele bodems nam hij dan vervolgens weer mee in zijn andere werk. Waardoor hij laagje voor laagje een intrigerend filmpersona schilderde.

Dat deed hij afgelopen zomer in zijn zwanenzang als stervende zakenman in Christopher Nolans droomwereld van Inception was, als toegewijde dirigent van een fanfareorkest in de sociaal-realistische komedie Brassed Off (1996) en als drugsdealer in de John Le Carré-verfilming The Constant Gardener (2005) – een film die hem, als toegewijd milieuactivist, goed paste.