Een minister met 'burn-out'

Elke eerste dinsdag van het jaar worden duizenden documenten bij het Nationaal Archief publiek. In 1910 trad minister Nelissen van Justitie af. Hij liep bij de psychiater, zo blijkt nu.

Hij kon de last niet langer dragen. Minister van Justitie Antonius Nelissen verzocht koningin Wilhelmina op 3 mei 1910 hem eervol ontslag te verlenen, om gezondheidsredenen. De jonge koningin stemde in met zijn verzoek en een week later maakten de kranten het aftreden van Nelissen bekend.

Vandaag komen bij het Nationaal Archief in Den Haag honderdduizenden documenten in de openbaarheid, zoals op iedere eerste dinsdag van het nieuwe jaar gebeurt. De oogst is niet zo spectaculair als in 2010, toen er veel documenten vrijkwamen die betrekking hadden op prins Bernhard en koningin Juliana. Maar historici zullen de komende jaren ongetwijfeld het nodige van hun gading vinden.

Een van de mappen die vandaag beschikbaar komt, is een eeuw lang achter slot en grendel gebleven. Het betreft de correspondentie uit het geheim archief van het kabinet der koningin over de ziekte van Nelissen, die vanwege de gevoelige aard ervan langer dan de gebruikelijke 75 jaar ontoegankelijk was.

De kranten zaten indertijd op het juiste spoor, toen ze schreven over het afscheid van de minister die namens de rooms-katholieke kiesverenigingen in de regering zat. De Nieuwe Rotterdamsche Courant stelde dat Nelissen „gedrukt werd door de moeilijke beslissingen die hij dagelijks moest nemen.” Hij had de laatste jaren „een leven gehad zonder rust of ontspanning, waarbij de dagen werden gerekt tot ver in de nacht.” Nelissen had onder meer een wetsvoorstel ingediend inzake de strafbaarstelling van onzedelijke handelingen, als pornografie, anticonceptie, abortus, ontucht en kansspelen.

Uit de geheime archiefstukken wordt duidelijk dat Nelissen onder behandeling was van een psychiater. Zijn zenuwarts, dr. J.F. Plet uit Den Haag, deelde op 30 april 1910 zijn diagnose met het kabinet der koningin. Nelissen leed aan „neurasthenia cerebralis”, een aandoening die ongeveer overeenkomt met wat we tegenwoordig een burn-out of chronisch vermoeidheidssyndroom noemen.

De verschijnselen waren van dien aard, aldus Plet, dat Nelissen „ niet in staat geacht kan worden, na het hem toegestaan verlof tot herstel van gezondheid, zijn werkzaamheden weer op te vatten”. Die mening werd onderschreven door professor C. Winkler van de gemeentelijke universiteit te Amsterdam. Deze achtte het zelfs noodzakelijk „dat hij zoo spoedig dit mogelijk is, zijn werkkring als minister van justitie opgeeft”.

Nelissen had bij deze attesten zijn ontslagaanvraag gevoegd. Hij verzocht met „onderdanige eerbied” om beëindiging van zijn ministerschap, omdat het verlof dat hem „ goedgunstig verleend was” door Wilhelmina niet tot verbetering van zijn gezondheid had geleid. De koningin was over zijn afscheid niet al te ontstemd, want op 30 augustus maakte ze hem Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.

Nadat hem ontslag verleend was, moest Nelissen nog een jaar bijkomen van zijn aandoening. Daarna trad hij opnieuw in dienst bij zijn vorige werkgever, de Hoge Raad der Nederlanden. Eerst als raadsheer en van maart 1919 tot zijn overlijden op 10 juli 1921 als vicepresident.