Dribbelkoning die zijn afkomst niet verloochende

De vannacht overleden voetballegende Coen Moulijn maakte muziek met zijn voeten. De Rotterdamse dribbelaar stond bekend om zijn snelle passeerbeweging en pasklare voorzet. Voormalig collega’s typeren hem als rustig en bescheiden. „Heel Nederland, nee, ik denk zelfs dat heel de wereld van Coen Moulijn heeft genoten.”

Coen Moulijn voetballer van Feyenoord en het Nederlands elftal, houdt een balletje hoog in een lege Kuip, Rotterdam, Nederland 1960.

Voetballers zoals Coen Moulijn bestaan nauwelijks meer. Die motoriek en die bliksemsnelle passeerbeweging van de kleine dribbelaar van weleer zijn niet van deze tijd. Altijd buitenom, altijd onweerstaanbaar, altijd gevolgd door een pasklare voorzet op het hoofd of de voet van een medeaanvaller. Moulijn maakte muziek met zijn voeten en duizenden raakten er onophoudelijk door in vervoering.

In de oudejaarsnacht werd de 73-jarige Rotterdammer getroffen door een herseninfarct. Afgelopen nacht overleed Moulijn aan de gevolgen. Onvermijdelijk werd Rotterdam, zijn stad, waar hij in het Oude Noorden opgroeide, vandaag in rouw gedompeld. Niet alleen voor de ouderen die hem in de jaren vijftig, zestig en zeventig in de Kuip tegenstanders dol zagen draaien, maar ook voor velen die niets van voetbal weten was Moulijn in Rotterdam een begrip.

Aan de voet van het stadion van Feyenoord staat sinds oktober 2009 een standbeeld van hem, ontworpen door Tom Waakop Reijers. De Rotterdamse kunstenaar heeft geprobeerd een kenmerkende actie van Moulijn uit te beelden. Een beweging was niet mogelijk geweest. Daarvoor zijn bewegende beelden nodig. Moulijn die met de bal aan zijn linkervoet tergend langzaam op de tegenstander afkomt, dreigt naar binnen te gaan maar bijna tegelijkertijd de bal buitenkant voet naar links tikt en versnelt. Duizenden malen vertoond, maar geen tegenstander die er een antwoord op had. Of hij moest zijn toevlucht nemen tot een schop.

Linksbenige jongens probeerden die beweging te imiteren. Jongens wilden als Coen Moulijn zijn. Maar niemand kon Moulijn zijn. Moulijn was uniek. Alleen Arjen Robben lijkt op hem. „Alleen heeft hij geen eindpass zoals ik”, zei Moulijn in het najaar van 2009 bij de presentatie van zijn biografie ‘Coen Moulijn’, een 559 pagina’s tellende ode.

Je was als niet-clubgebonden liefhebber in de jaren zestig, begin jaren zeventig voor Moulijn of voor Piet Keizer, de magistrale linksbuiten van Ajax. Keizer was de beheerste kunstenaar, die met een schaarbeweging de tegenstander op het verkeerde been zette en in samenwerking met Johan Cruijff de aanval voorbereidde. Kunst soms, achteraf beschouwd, als de actie was geslaagd. Bij Moulijn hield je al de adem in zodra hij de bal aan zijn voeten kreeg. Hij hield van het hunkerende publiek. Hij speelde het liefst dicht bij de Maastribune, waar het volk stond, niet aan de voet van de eretribune waar het verheven volk zat. „Ik kon dicht bij de Maastribune alles horen wat het publiek zei. Ik stond op tweeënhalve meter van het publiek en hoorde: „Je komt er vandaag niet langs hè, Coen.” Dat liet hij zich geen twee keer zeggen. Weg was hij, alweer voorbij de tegenstander.

Moulijn speelde slechts 38 interlands, tussen 8 april 1956 en 22 oktober 1969. Een dwaling van de toenmalige bondscoaches, die niet altijd overtuigd wilden raken van het talent. Hij zou te breekbaar zijn, niet allround genoeg, hij verdedigde niet mee. Zo brutaal als Moulijn in het veld zijn tegenstanders omzeilde, zo bescheiden was hij er buiten. Al zei hij later wel vrijpostig voor zijn doen dat hij niet het beste uit zijn spel heeft kunnen halen. Mede als gevolg van huwelijksproblemen en een ongeluk (een botsing in zijn auto met een trein) toen hij 32 jaar was, en de zorgen om zijn gehandicapte zoon, aan wie hij op latere leeftijd een nier afstond. Raymond overleed afgelopen zomer.

Een lieve man die zijn afkomst nooit verloochende. Hij werd op 15 februari 1937 geboren op Bloklandstraat 14 in het Oude Noorden, een nakomertje in een gezin van drie kinderen. Zijn vader was blikslager en overtuigd communist. Hij leerde er voetballen in het doodlopende stuk van de straat. Dat was zijn domein, daar leerde hij pingelen en met gevoel een bal trappen. Urenlang tegen een blinde muur trappen. De muur werd gesloopt, maar in 1990 naar een ontwerp van kunstenaar Hans Citroen opnieuw opgetrokken. Er werd een plaquette op bevestigd met een getekend gezicht van Coen Moulijn. In het Oude Noorden groeiden andere fenomenale voetballers op, zoals Wim Jansen en Faas Wilkes, het jeugdidool van Moulijn en de beste voetballer die Rotterdam heeft gekend – hij speelde nooit voor Feyenoord.

Moulijn ging als jongen voetballen bij Xerxes, niet bij Sparta waarvan zijn vader aanhanger was. Klein, snel en vaardig met de bal. Linksbenig, linksbinnen. Maar o zo fragiel. Mede daarom werd hij tot zijn spijt op de linksbuitenplaats gezet. Als 17-jarige, in februari 1954, maakte hij zijn debuut in het eerste elftal. In mei maakte hij zijn eerste doelpunt. Het was een van zijn schaarse doelpunten. Moulijn scoorde zelden, hij was de man van de voorbereiding en de verfijnde voorzet, die hij ogenschijnlijk blind gaf.

Sparta, in die jaren succesvoller en meer publiekstrekker dan Feyenoord, had in 1954 zijn oog laten vallen op de frêle linksbuiten van Xerxes. Moulijn wilde er aanvankelijk wel naar toe, om zijn vader een plezier te doen. Bovendien lag de Bloklandstraat voor de jeugdige voetballer dichter bij het Kasteel, het stadion van Sparta. Naar Rotterdam-Zuid, dat deed een jongen uit het Oude Noorden niet. Maar Sparta zag van het talent af. Hij zou te breekbaar zijn, te licht voor het zware werk. Of was het toch een geldkwestie? Sparta bood slechts 22.000 gulden aan Xerxes. Feyenoord bood 25.000 en stelde Moulijn een salaris van 3.600 gulden per jaar in het vooruitzicht, plus zeventig gulden bij een overwinning, veertig gulden bij een gelijkspel en twintig gulden bij een nederlaag.

Vader Piet voerde langdurige onderhandelingen met Feyenoordvoorzitter Cor Kieboom. Coen kocht zijn eerste auto van het eerste salaris, een Austin Cambridge. Die stalde hij trots voor zijn ouderlijk huis in de Bloklandstraat. Hij zou echter altijd een Xerxaan blijven. In zijn biografie zegt hij: „Als ik in de richting van Laag Zestienhoven rijd, zo langs het Sint Franciscus Gasthuis en het golfterrein, dan moet ik altijd terugdenken aan het oude veld aan de Xerxesweg en aan de houten brug over het kanaal.” En: „Mijn jeugd bij Xerxes? Onvergetelijk tijd, gouden jaren.” Zes weken geleden opende hij officieel het Faas Wilkesterrein van Xerxes/DZB in Zevenkamp, vernoemd naar die andere grootheid uit het Oude Noorden.

Coen Moulijn werd niet rijk bij Feyenoord. „Van voetbal kon ik in die tijd onmogelijk leven”, zei hij. Hij opende een modezaak, die hij tot voor zijn dood dreef. De Kuip liep bij elke thuiswedstrijd vol, vooral dankzij die onnavolgbare linksbuiten. ‘Als Kieboom en Coentje op de middenstip gaan klaverjassen, zit de Kuip al half vol’, is een Rotterdams gezegde. Barcelona met de Argentijnse succestrainer Hellenio Herrera, wilde Moulijn inlijven. Maar de Rotterdammer bleef liever thuis, ondanks dat de successen van Feyenoord vooralsnog uitbleven. Moulijn bleef zich liever omringen door spelers als Gerard Kerkum, Hans Kraay, Jan Klaassens, Reinier Kreijermaat, Eddy Pieters Graafland, Kees Rijvers, Cor van der Gijp, Henk Schouten, Frans Bouwmeester en Cor Veldhoen, de linksback die het vuile werk voor de kleine kunstenaar opknapte.

Zijn grootste triomf behaalde Moulijn in 1970. Hij was al 33 jaar. Met Feyenoord won hij de Europa Cup, door in de finale Celtic te verslaan. Een half jaar later won hij met Feyenoord de wereldbeker. Twee jaar later stopte hij bij Feyenoord, hij voelde dat het spel veranderd was en niet meer kon schitteren. Na moeizame onderhandelingen kreeg hij in juni 1972 een benefietwedstrijd, tegen Uruguay. Moulijn voelde zich beledigd door het zuinige gedrag van Feyenoord. De bittere nasmaak bleef. Toch is hij zijn club van nabij blijven volgen. Zo was Coen Moulijn, bescheiden en trouw, en een unieke voetballer.