Dat een baby draait van moxa is onwaarschijnlijk

Myriam Hunink en haar collega’s verdedigen zich met dubieuze, maar redelijk klinkende argumenten tegen de kritiek van Frits van Dam op onderzoek naar de moxa-therapie voor het draaien van in stuit liggende baby’s (opiniepagina, 3 januari). Hun argument is dat we, zeker in de medische wetenschap, niet begrijpen hoe dingen in elkaar steken en dat we dus zijn aangewezen op experimentele observatie.

Tussen wat oprechte waanzin is en wat betrouwbaar uit empirische observatie kan worden afgeleid, bestaat een glijdende schaal. Ook als waarnemingen volgens een kansmodel een kleine kans van voorkomen hebben, kunnen ze toch geheel te wijten zijn aan toeval, zoals Lucia de Berk tot haar grote schade heeft ondervonden. Pas als de alternatieve hypothese dat er een oorzaak-gevolgrelatie is een zekere mate van plausibiliteit heeft, kun je op grond van statistiek geloof hechten aan die hypothese. Dat acupunctuur met moxa enige invloed op het spontaan terugdraaien van een in stuit liggend kind zou kunnen hebben, behoort tot de a priori erg onwaarschijnlijke hypothesen – zo misselijk kun je van dat onaangenaam ruikende goedje ook niet worden. Ook meta-analyse helpt ons hier niet verder, omdat de wetenschappelijke literatuur sterke voorkeur vertoont voor resultaten die afwijken van de aanname dat er geen verband is. Wat Frits van Dam terecht bekritiseert, is dat het onderzoeken van buitengewoon onwaarschijnlijke hypothesen niet thuishoort op de universiteit, vooral niet als er geen schijn van mogelijkheid is om dieper inzicht te krijgen. Wat Hunink en haar collega’s doen, is onderzoek naar het onwaarschijnlijke en misbruik van statistische argumenten presenteren als voorbeeld van wetenschappelijke openheid. Daarmee is niemand gediend.

Gerard te Meerman

Universitair hoofddocent bio-informatica en statistische genetica aan het Universitair Medisch Centrum Groningen