Chinese toeristen 'doen' Taiwan

Taiwan verwacht in 2011 een miljoen Chinese toeristen. Nu de relaties tussen het Chinese vasteland en het eiland verbeterd zijn, mogen ‘vastelanders’ er sinds 1 januari individueel naar toe reizen.

In het Nationale Paleismuseum in Taipei, waar de schatten uit de Verboden Stad liggen uitgestald, doet een vermoeide Chinese toerist haar schoenen uit. Ze stroopt ongegeneerd de broekspijpen op en begint een middagdutje. Even verderop zit iemand zonder sokken aan zijn teennagels te pulken.

‘Vastelanders’ worden ze genoemd en ze komen dit jaar massaal naar eilandstaat Taiwan, hun ‘afvallige provincie’. Taiwanese gidsen spreken licht misprijzend over Chinees massatoerisme. De beroepsgroep komt als eerste in contact met ‘het Chinese broedervolk’. Dat is even wennen, de omgangsvormen zijn anders dan ze gewend zijn.

Taiwan (de Republiek China) is sinds 2000 een levendige democratie, de Volksrepubliek een dictatuur. Sinds 1949 zijn de twee China’s uit elkaar gegroeid. Na de overwinning van Mao’s communisten trok nationalist Chiang Kai-shek zich terug op Taiwan. Hij nam de politieke blauwdruk mee van Sun Yat-sen, die de Kwomintangpartij oprichtte. Ook al wordt het belang van zijn erfenis verschillend geïnterpreteerd, beide China’s eren Sun Yat-sen dit jaar (2011) als ‘vader van de natie’. Precies een eeuw geleden maakte hij een einde aan het duizendjarige keizerrijk. Busladingen Chinezen komen af op zijn monumentale gedenkteken in Taipei. Maar ook het mausoleum van Chiang Kai-shek is een toeristische trekpleister.

Chinezen kunnen nu direct per boot of door de lucht naar Taiwan. Vanaf Ma Ying-jeou’s aantreden in maart 2008 kon dit al wel groepsgewijs, met charters, maar sinds 1 januari zijn de deuren naar Taiwan helemaal open gegaan. Taiwanese reisleiders krijgen speciale instructies mee: niet spuwen, niet slapen op de bankjes in het park, niet eten of drinken in metro en musea en vooral niet schreeuwen. Overtreders worden met bordjes ‘Quiet please!’ terecht gewezen. „Je herkent ze onmiddellijk”, zegt Bai Yi-ling. Ze gidst in een opvallende cocktailjurk. Kanariegeel. „Chinezen doen net als thuis, ze houden zich niet aan groepsregels. Ze zijn luidruchtig, dragen hun koptelefoons verkeerd om en hun sobere jarenvijftig kleren steken af bij de onze.”

Bai Yi-ling deelt verouderde brochures uit in het Japans en Duits. „Die lezen ze toch niet”, zegt ze, „ze laten de plattegrond direct afstempelen als bewijs dat ze in het museum zijn geweest.” Klagen wil ze niet, deze baan betaalt immers goed. Wel vallen haar grote verschillen op met eigen landgenoten: „Het lijkt wel of ze altijd aan het bekvechten zijn. Ook wordt luid mobiel getelefoneerd in de bus. Soms moet iemand overgeven, laat de smeerboel achter en gaat doodleuk op een andere plek zitten. Zonder iemand te verwittigen of op te ruimen.”

Ze ziet zich genoodzaakt tijdens de rondleidingen veel harder te praten dan normaal. „Zij, de vastelanders dus, drukken hun sigaretten lukraak uit, vrijwel iedereen rookt en laat de asbakken ongebruikt. Je geeft ze ’s morgens keurig vuilniszakjes mee, maar niks helpt.” Ook collega Jennifer Chu doet moeite Chinezen manieren te leren. Ze stoort zich vooral aan superieur gedrag: „Als je ze op de kast wilt jagen moet je vragen: stel dat de nationalisten in 1949 hadden gewonnen in plaats van de communisten. Zou China dan al een halve eeuw eerder net zo ontwikkeld zijn als Taiwan? En net zo wellevend?” Tot zover de ervaringsdeskundigen. Maar wat vinden Chinezen eigenlijk van Taiwan? „Taiwanese are too lively”, zegt Wang Yung uit de provincie Hunan, ze zijn te vrijgevochten. „Het is wel mooi groen hier, ook netter, schoner dan bij ons, maar toch, zoveel anders is het niet, het voelt heel eigen.” Wang toert met een groep van 27 een weekje door Taiwan. „Dit China is ook van ons”, voegt hij ongevraagd toe. Hij verbaast zich over wat hij noemt ‘de uitwassen van de democratie’. Zoals demonstraties van de in China verboden Falun Gong, tot pal voor het presidentiële paleis in Taipei. In het hotel kijkt hij op tv met stijgende verbazing naar de vele scheldpartijen op politici. „Dat is toch ongepast? Dit doe je niet, bij ons draai je hiervoor de bak in. In China bespreek je op tv geen negatieve zaken.” Geschokt is hij ook door de chaotische regievoering op tv, men praat dwars door elkaar heen, anarchistisch bijna. Hij prijst wel uitgebreid de pretty girls op tv, maar ook die vindt hij nogal vrijpostig. Is werkelijk alles bevreemdend voor hem? „Welnee, we hebben allemaal hetzelfde bloed, al zijn er verschillen. Zij hebben hun eigen regering, een eigen economie en defensie, maar ze zijn niet onze vijand. Ach, over het algemeen is het niet zó anders”. Dan besluitvaardig: „Ik wil er meer over weten, deze trip is te kort. We komen beslist terug!”