Wasmiddelen en marktvis

Nederland in vijf zintuigen: hoe ruikt het hier?

Deze week beschouwen vijf schrijvers die elders zijn opgegroeid Nederland aan de hand van hun vijf zintuigen. Vandaag typeren zij ons land met behulp van hun neus

Nederland ruikt voor mij schoon en chique. De geur die zich het meest opdringt is die van schoon ruikende kleren. De zelfgemaakte zeep van mijn moeder waste goed, maar liet geen geur achter. Onze was rook wel erg fris naar wind gemengd met brandnetel en citroenkruid, maar alleen als er al een paar druppels regen op waren gevallen. In de winter rook onze was naar ijspegels en rook van de kolenkachels van de buren.

In Nederland heb je wasmiddelen in alle kleuren en geuren en die ruik ik in de kleding van andere mensen. Ook ruik ik op straat de laatste trends op het gebied van parfum. Vooral jongeren zijn compromisloos als het op lekker ruiken aankomt. Het beste van het beste willen ze hebben en dat kunnen ze zich ook in veel gevallen permitteren. Dat ruik ik.

Nederland ruikt ook naar schoon water. Als ingeburgerde Amsterdamse hou ik van de geur van het grachtenwater dat net geschoond is. Het doet mij denken aan het mooie dat vanzelfsprekend is geworden: het water van iedere dag in de grachten; je ziet het, maar je ruikt het niet. Ik ben geen echt zeemens en houd dus niet van de zoute algengeur van de Noordzee. Ik houd wel van de marktgeuren. Van de zoetzure geur van de Vietnamese loempia’s tot de bitterzoute geur van vers geroosterde noten. Of de weeïge geur van oude stoffen en hasj.

Als het regent, mis ik de geur van bloemen. De duizelingwekkende verscheidenheid aan soorten en kleuren (zelfs de kool is hier bloem geworden!) is niet genoeg voor mijn neus. Ik zoek de geur van versgebakken brood op, die je niet vaak tegenkomt. De surrogaatgeur van vette croissants, door een leugenachtig ventilatiesysteem de straat op geblazen, spoor ik soms wel op.

Ik ben gaan houden van de marktvis, vooral vroeg op de zaterdagochtend. De vis is wel hartstikke dood, maar hij ruikt nog naar leven, naar zee, naar andere vissen waartussen hij geleefd heeft en ook naar het toekomstige gerecht dat ik ga maken. ’s Avonds ruikt de markt het meest naar vis, juist op de hoek richting mijn huis. Dan denk ik vaak dat de vissen verder zwemmen in de geurige zure soep van mijn moeder. Dan ruik ik Maggi en thuis.

Madalina Florea (Ploiesti, Roemenië, 1971) woont sinds 1997 in Nederland. Ze studeerde Engelse en Turkse taal- en letterkunde. Nu werkt ze als docent Engels op een gymnasium. Vorig jaar debuteerde ze als dichter met de Roemeens-Engelse bundel Poeme cu supravietuitor/ Poems with Survivor (Rawexcoms, Boekarest).