Wantrouwen en hebzucht

Nederland in vijf zintuigen: hoe ruikt het hier?

Deze week beschouwen vijf schrijvers die elders zijn opgegroeid Nederland aan de hand van hun vijf zintuigen. Vandaag typeren zij ons land met behulp van hun neus

Om in den vreemde te overleven moet je behalve slim, sterk, zelfbewust, ondernemend en vasthoudend vooral een hond zijn. Zonder goede neus ben je nergens in een onbekend en dus vijandig gebied.

Dat hondse in je is een complexe materie.

Aanvankelijk wordt je neus platgeslagen door een ware kakofonie aan nieuwe geuren die je moet leren onderscheiden. Tegelijk word je geleid door een gemis, ben je constant op zoek naar de verloren geuren en dus naar de verloren tijd, want de herinnering aan geuren wordt opgeslagen in het meest rudimentaire deel van onze hersens. Vandaar dat onze reuk zo verbonden is met onze emotionaliteit.

De begeerlijke geur van seringen uit de verwaaide tuin van mijn kindertijd! Daar pleeg ik een moord voor. In juni fiets ik altijd naar één tuin aan het Gein en blijf ik eindeloos voor een hek staan bij een bloeiende seringenstruik. De wetten der private eigendom kunnen me gestolen worden.

Alle plastic zakken waarin ik cadeautjes uit Rusland krijg, ruiken naar medicijnen. Het is niet mijn favoriete geur uit de verloren tijd. Telkens als ik hem ruik, voel ik pijn. Zal mijn eerste vaderland ooit weer beter worden?

De laatste tijd is de hond in mij alert als vanouds. Hij ruikt de vertrouwde lucht. Die van de gemeenschappelijke sovjetflat waar de buren elkaar van alles de schuld geven, stiekem in elkaars soeppannen spugen en bij elk bezoek aan de wc een eigen peertje in- en uitschroeven.

John le Carré zei dat toen hij in 1949 in Duitsland kwam, er nog de geur van de dood hing. Hij zei niet hoe die rook.

De hond in mij weet nu hoe wantrouwen ruikt, en ook angst, hebzucht en opportunisme, die onder het mom van brave new world die andere ‘oud’-Hollandse geuren van tolerantie, fatsoen en pragmatisme verdrijven.

Weg met die muffe lucht, zegt de hond in mij en rent naar de zee. De plek waar Goethe in Italië voor het eerst werd doordrongen van het gevoel van Europa en vrijheid. De hond ruikt de zee. ‘Thalassa!’ roept hij terwijl de tranen over zijn wangen stromen.

Sana Valiulina (Tallinn, Estland, 1964) studeerde in Moskou Noorse taal- en letterkunde en woont sinds 1989 in Amsterdam. Ze debuteerde met Het Kruis (2000). Met Didar en Faroek (2006) werd ze genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Vorig jaar verscheen Honderd jaar gezelligheid (Uitg. Prometheus).