Stof afnemen

Opeens wierp Ruud Lubbers een paar interessante vragen op over politiek en transcendentie. In een gesprek met NRC Handelsblad legde hij allereerst uit dat christelijke politiek voorziet in een behoefte aan spiritualiteit. „Ik ben positief over de toekomst van het CDA. Er is een revival van spiritualiteit en godsdienst. Het CDA past daarbij, de partij bedrijft politiek vanuit principiële grondslagen.”

Aan de andere kant zei hij dat christelijke politici geen tijd hebben voor spiritualiteit. Op de vraag waarom CDA-politici er pas na hun loopbaan over beginnen, antwoordde hij: „Draai het om. De druk, de media, de praktische noodzaak om oplossingen te vinden laten er geen ruimte toe.” Kortom. Wel spiritualiteit in de politiek? Geen spiritualiteit in de politiek? Sprak hij zichzelf tegen? Het leek de moeite waard er eens achteraan te gaan.

De kwestie drong zich des te sterker aan me op omdat ik, als ongelovige, onlangs een kerstspel had bezocht in een protestantse kerk. Het kerstverhaal bleek te zijn doorspekt met reclameteksten-op-rijm van de plaatselijke middenstand. Foto’s van de etalages werden geprojecteerd op een scherm achter de kribbe. „Kom vooral bij ons eten, u zult het nooit meer vergeten, blablabla, blaadje sla”, zoals een van de verontwaardigde kerkgangers het na afloop samenvatte. Het was niet de eerste keer dat ik in verbijstering een kerk verliet. Wat je er ook zoekt, je vindt het er zo slecht.

Wat zoekt de mens dan eigenlijk? Spiritualiteit, zegt Ruud Lubbers. Zelf zou ik dat woord – dat de laatste jaren vooral duidt op een emotionele zoektocht naar het eigen innerlijk – graag vervangen door het woord transcendentie, het liefst in de betekenis die me is bijgebleven uit een artikel van de theoloog Theo de Wit over de filosoof Alain Finkielkraut. Je moet, stond daar, transcendentie niet louter religieus opvatten, „maar ook in de profane betekenis van het Duitse woord Gegenüber”.

Het Gegenüber is dat wat tegenstand biedt, wat weerbarstig is, wat zich niet gemakkelijk ondergeschikt laat maken aan het eigen bestaan, aan onze persoonlijke plannen en verlangens. Het kan het verzet van de ander zijn, de weerbarstigheid van een literair oeuvre, of ook het déjà là, volgens Finkielkraut, het ‘dat wat er al is’; de cultuur bijvoorbeeld, de natuur, de gegevenheid van de instituties, al datgene waarmee we ons maar moeten zien te redden.

Waarom zou je die weerbarstigheid zoeken in een kerk? Omdat God het Gegenüber bij uitstek is. Zo is er een religieuze traditie die volhoudt dat God niet bestaat, juist omdat God transcendent is en zich onttrekt aan onze controle. Hoewel je die niet-bestaande God overal kunt zoeken, is de kerk speciaal ingericht voor dat zoeken . Dan moet God er natuurlijk wél níét zijn, om het maar eens te formuleren als een oosterse paradox.

Als Ruud Lubbers nu vindt dat de politiek te praktisch is voor spiritualiteit, zegt hij in feite dat politici zich niet bezighouden met dingen die lastig zijn en die je persoonlijke ervaring overstijgen. Net zoals sommige kerkgemeenschappen de Kerst gewoon gebruiken voor het verkopen van groenten en kantoorartikelen, zo gebruiken politici hun morele beslissingen simpelweg voor het dienen van tijdelijke en partiële belangen.

Hoe zit dat dan met die christelijke politiek, die volgens Lubbers zo goed zou passen bij de revival van godsdienst? Is die christelijke politiek anders, principiëler, transcendenter? Ik moet zeggen: het valt mij nooit zo op.

Toch is dit allemaal veel te somber. Alsof de transcendentie helemaal is verdwenen uit het leven en de politiek!

In het artikel van Theo de Wit, dat ik al aanhaalde en dat ik er nu weer bijpakte, Het schuim der aarde, over de politieke risico’s van een humanisme zonder transcendentie, las ik dat het verloochenen van transcendentie volgens Alain Finkielkraut vooral een verwording, een radicalisering is van de politiek.

Politiek is in oorsprong niets anders dan „de kunst van het mogelijke die rekening houdt met objectieve grenzen”, met het complexe Gegenüber dus van feiten en omstandigheden. De wereld is weerbarstig, omdat ze vol is van dingen die je niet in de hand hebt. Pas als politiek radicaliseert, poetst ze de weerbarstigheid weg – „zoals je stof afneemt” – totdat een simpel moreel basisschema overblijft. Goed versus kwaad, vrienden versus vijanden, geloof versus ongeloof, tolerantie versus stigmatisering – de schema’s zijn bekend.

Wie het heil op aarde wil brengen, heeft afscheid genomen van de politiek. Wie tot transcendentie bereid is, kan in de politiek de kunst van het mogelijke beoefenen.

Ruud Lubbers: „Moeilijke dingen voor elkaar krijgen, consensus bouwen, heeft een grote vormende betekenis. In die zin ben ik ook positiever over de politiek dan mijn voorganger Dries van Agt. Die wordt dan gegrepen door het Palestijnse vraagstuk. Ik heb daar wel een zekere waardering voor, maar het moet ook leiden tot iets wat doenbaar is.”

Zo bewees Lubbers uiteindelijk dat hij zelf ongelijk had. Politiek is niet te praktisch voor het overstijgende.