Sinds wanneer ouwehoeren wij?

Onlangs citeerde ik hier een bron waarin staat dat het woord ouwehoeren pas sinds 1910 bestaat. Dat leverde verschillende vragen van lezers op. Ouwehoeren wij inderdaad pas sinds zo kort, wilden zij weten.

Ouwehoeren heeft volgens de Grote Van Dale twee betekenissen: ‘vervelend kletsen’ en ‘langdurig, wat vertrouwelijk, intiem met elkaar praten’ („we hebben de hele avond lekker zitten ouwehoeren”).

Bijna iedereen ouwehoert zo nu en dan, maar sommige mensen zijn op dit punt extra begaafd. Over de ouderdom van dit verschijnsel maak ik me geen illusies: zolang er mensen zijn, is er geouwehoer en wordt er volop geouwehoerd.

Dat alles neemt niet weg dat het werkwoord ouwehoeren betrekkelijk jong is. Het is niet pas in 1910 ontstaan – een jaartal dat in een dissertatie wordt genoemd – maar vóór 1897 is het niet aangetroffen. Wat is op dit moment de vroegste bewijsplaats?

Het prachtige Kamertjeszonde uit 1897 van Herman Heijermans. Heijermans, die in zijn romans, columns en toneelstukken veel spreektaal opnam, gebruikt het in Kamertjeszonde zelfs driemaal: „As je nog langer ouwehoert, ga ’k ’r vandoor!”, „Nou niet zoo lang ouwehoeren!”, en: „Ik heb genoeg van jouw ge-ouwehoer!’’ In de jaren daarna vinden we dit werkwoord in romans van L.H.A. Drabbe, Job Steynen en A.M. de Jong, eveneens schrijvers die hun romanfiguren geregeld platte volkstaal in de mond legden.

Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, is het werkwoord ouwehoeren ontstaan uit de uitdrukking praten of kletsen als een oude hoer voor ‘vervelend praten, zeuren, zaniken’.

Dat klinkt aannemelijk, maar in feite is die zegswijze pas later aangetroffen dan het werkwoord ouwehoeren.

Wel kwamen prostituees op leeftijd, oude hoeren dus, eerder in diverse andere uitdrukkingen voor.

Zo noteerde Jacob Cats al in 1632: „Een oude hoer, een nieuwen weert, die snijden meer als eenigh sweert’’ (lees: een oude hoer en een nieuwe waard zetten je het meest af). Verder zei men bijvoorbeeld: hij is geen scheet van een oude hoer waard.

Het Nederlands telt ruim honderd uitdrukkingen over het oudste beroep ter wereld. De meeste schilderen hoeren af als lelijk, ontuchtig, onbetrouwbaar en onoprecht.

Voor de oude hoer gold echter iets anders. Uit de spreekwoordenschat komt zij in de eerste plaats naar voren als een vrouw die haar leven een andere wending heeft gegeven. Of ze heeft spijt van haar verleden en is vroom geworden, of ze zet haar levenservaring in als huwelijksmakelaar.

Vandaar uitdrukkingen als oude hoeren kruipen vlak onder de preekstoel; als de hoeren oud worden, worden zij vroom, en een oud wijf, die in haar jonge tijd hoer is geweest, wordt een koppelaarster, of zij verkoopt kaarsen in de kerk.

Koppelaarster kon trouwens ook ‘bordeelhoudster’ betekenen – voor veel voormalige prostituees een logische stap in hun carrière.

Tussen de spreekwoorden over hoeren kom je trouwens uitdrukkingen tegen met een hoge actualiteitswaarde, zoals deze, uit 1858: „Wacht u voor een paard van achteren, voor een hoer van voor, voor een wagen opzij, en voor een monnik van alle kanten.’’

Tot slot nog dit: is het hypercorrecte oudehoeren een vondst van Gerard van het Reve? Nee. Van het Reve zal het hebben gebruikt voor het komische effect, maar het WNT gebruikte het al in 1904, in alle ernst. „Praten, kletsen als een oude hoer. Vandaar een werkwoord oudehoeren.”