Mijn bijdrage aan de wereldvrede

Natalie Hanssen begon al voor nieuwjaar met haar voornemen een beter mens te worden. Met een zelfhulpboek en anti-klaagarmbandje.

Een leven met meer ruimte in mijn hoofd. Gelukkiger. Positiever. Met betere relaties, carrière en gezondheid. Dat is wat ik wilde. En dan daarmee een krachtige, eerste stap naar wereldvrede zetten.

Hoe kon ik nee zeggen?

Wat mij te doen stond was slechts te stoppen met zeuren. Over het weer, over de file, over mijn partner. Ik las het in een artikel over het boek van dominee Will Bowen, A Complaint Free World. Bij het boek zat een paars, rubber bandje geleverd. Dat moest om mijn pols, en telkens als ik mezelf betrapte op klagen (of roddelen, of bekritiseren, want dat zijn ook vormen van klagen) moest ik het van pols wisselen. Dat zou sporen trekken in mijn brein, en na 21 dagen zou mijn nieuwe gedrag gewoonte zijn.

Het klagen waar Bowen op doelt, is het praten over de dingen die je niet wilt. Dat kost niet alleen energie, maar brengt ook een hoop negativiteit in de wereld. Wat ons te doen staat (want iedereen klaagt! U ook! Sterker, het klagen neemt epidemische vormen aan in onze wereld! Probeert u het maar eens een dag met zo’n bandje!), is voorbij het probleem te focussen, en het te hebben wat wij wèl willen, liefst tegen mensen die daar ook voor kunnen zorgen.

Met enige verbazing moest ik tijdens de lunch op dag een, twee en drie mijn bandje zo vaak verwisselen, dat ik het maar naast mijn bord legde om te kunnen eten. Klagen kan een hoop opleveren: aandacht, aanzien en vooral een veilige manier om sociaal te zijn en het tóch nergens over te hebben. Bowens woorden galmden in mijn achterhoofd. „Do it for those around you. Do it for your nation. Do it because it’s a powerful first step towards world peace. But mostly: do it for yourself.” Want er is één ding dat klagen zeker niet oplevert: blijdschap.

Ik begon mijn bandje te ‘vergeten’, op dagen dat ik wist dat ik veel te zeuren zou hebben. Af en toe deed ik het even snel om, en het moet gezegd, hield ik een klacht in, werd mijn stemming een heel klein stukje beter. Denk ik.

Op dag negen zag ik het licht. Toen ik de autodeur dichtgooide, bleek ik mijn eenjarige dochter in de vrieskou in de auto opgesloten te hebben, samen met huissleutels, autosleutels en telefoon. Ik belde de ANWB met een geleende telefoon. „Een uur wachttijd, en ik kan u geen voorrang geven”, zei de dame spijtig. Ik zweeg. Ik focuste voorbij het probleem, rechtstreeks de garage in. Daar vond ik een bijl van formaat, die ik met enige moeite naar de auto droeg en liet neervallen op de linker achterruit. Dat luchtte aanzienlijk meer op dan klagen. Ik klaagde niet toen de ANWB tien minuten later aanbelde, of toen ik naar buiten rende op sloffen en lelijk ten val kwam met mijn knie tegen de stoeprand. Ik hoefde mijn bandje de hele dag niet te verwisselen, en ik heb goede hoop voor de volgende dagen. Ik stop met klagen. Maar dan wel die bijl mee.