Mevrouw Frédérique helpt Haïti

Een jaar na de zware aardbeving ligt Haïti nog altijd grotendeels in puin.

Julia Frédérique helpt vanuit New York het land waar ze ooit als migrant vandaan kwam.

Haiti, Port-au-Prince. Port au Prince cathedral damaged by the 2010 earthquake Haiti. June 2010. Photononstop

Vuilniszakken met blikken tomatensaus, kitscherige barbiepoppen en verhuisdozen met huisraad versperren de weg bij binnenkomst van Julia Frédériques appartement in een arme achterbuurt in New York. „Om Haïti te helpen”, zegt Julia Frédérique. Aan de muur hangt een kalender met een foto van Barack Obama. Yes We Can, staat er in het creools, de spreektaal van Haïti.

Frédérique laat een foto zien van haar zoon. Hij ligt op een ziekenhuisbed, zijn lichaam gewikkeld in verband. Hij werd in elkaar geslagen door een bende en kreeg een kogel door zijn hoofd, net nadat een catastrofale aardbeving Haïti vorig jaar in januari vrijwel volledig had verwoest. Haar zoon overleed aan zijn verwondingen.

Mevrouw Frédérique is zeventig jaar. Maar door haar vitaliteit en weinig grijze haren oogt ze een jaar of vijftig. Dertig jaar geleden wist ze vanuit Haïti een verblijfsvergunning voor de Verenigde Staten te bemachtigen en verhuisde ze met haar zes kinderen naar New York. Ze verdiende haar geld met werk als naaister en als verkoopster in een winkel met mechanische onderdelen.

Vrijwel onmiddellijk nadat ze op 12 januari 2010 had gehoord van de aardbeving van 7,0 op de schaal van Richter vloog mevrouw Frédérique terug naar de Caraïbische eilandnatie. Ze zag hoe in ‘haar’ land meer dan een miljoen mensen het dak boven hun hoofd hadden verloren en hoe de publieke gebouwen waren verwoest – inclusief het paleis van de president. Het hoofdkwartier van de missie van de Verenigde Naties in Haïti was ingestort, plunderingen braken uit. De aardbeving trof rond de drie miljoen mensen. Ongeveer 230.000 lieten er het leven, en ruwweg driehonderdduizend raakten er gewond.

Mevrouw Frédérique besefte dat ze iets moest doen, al wist ze aanvankelijk niet goed wat. Op straat begon ze willekeurige kinderen les te geven en voor te lezen uit boeken. Nadat haar zoon was overleden en was gebleken dat zijn vriendin niet voor hun twee kinderen Doodley (5) en Patrice (11) kon zorgen, besloot mevrouw Frédérique hen te adopteren.

Net na de aardbeving werden 105 kinderen door Nederlanders geadopteerd. Sindsdien zijn de adopties opgeschort, vanwege de ‘beperkte capaciteit’ van de Haïtiaanse overheid en risico’s op corruptie en kinderhandel. Dat zit een zorgvuldige procedure in de weg, zo heet het officieel. De regering van Haïti functioneert niet naar behoren, wat ertoe heeft geleid dat de adoptieregeling met Nederland is stopgezet. Frankrijk en België namen eerder hetzelfde besluit.

Mevrouw Frédérique zette ondanks alle tegenwerking door met haar adoptie. Het adopteren van Doodley en Patrice had eigenlijk 1.300 dollar (zo’n 1.000 euro) moeten kosten. Maar ze wist 400 dollar af te dingen. Haar vijf overgebleven kinderen, die allemaal in de Verenigde Staten wonen, schoten te hulp en legden geld bij.

Doodley en Patrice zijn nu in Miami bij de Amerikaanse immigratiedienst. Ze wachten daar al maanden tot ze de overtocht naar New York kunnen maken. Eén document uit Haïti komen ze nog tekort. In de tussentijd gaan ze naar school, leren ze Engels en wordt hun gezondheid in de gaten gehouden door de dokter. „Het is een moeilijk proces, er gebeurt weinig en het duurt lang. Het enige wat ze willen, is geld”, klaagt mevrouw Frédérique hoofdschuddend. Zolang ze kan, zal ze zich over haar nieuwe kinderen ontfermen. Haar dochter zal het van haar overnemen als ze er zelf niet meer is.

Een jaar na de aardbeving is het land nog steeds verwoest. De rampen houden aan. Orkaan Tomas rukte in oktober daken van huizen en verwoeste het elektriciteitsnet. Een recente cholera-epidemie kostte al meer dan 2.100 mensen het leven, zo’n 50.000 mensen belandden in het ziekenhuis. Ongeveer 1,3 miljoen mensen wonen nog in tentenkampen. „Het is verschrikkelijk, echt verschrikkelijk”, zegt mevrouw Frédérique. Ze praat moeilijk, heeft moeite om zich goed uit te drukken. Maar in haar hoofd heeft ze alles op een rij. Haar leven draait om Haïti. Ze heeft weinig te besteden, maar dat wat ze niet perse nodig heeft, stuurt ze naar haar eiland.

Inmiddels runt ze haar eigen stichting, Overseas Children Help Corp, waarmee ze goederen inzamelt en verscheept. Ze pakt haar zaakjes aan op haar manier, zodat ze weet dat de hulp goed terechtkomt. „De regering vreet geld, niemand in Haïti krijgt iets”, vertelt ze. Daarom probeert ze zo vaak als ze kan zelf naar Haïti te gaan. Als ze op het eiland is, probeert ze zo veel mogelijk mensen te ontmoeten en rechtstreeks vertrouwensbanden op te bouwen. Die mensen functioneren als haar contactpersonen voor het vervoer en de verdeling van de hulpgoederen.

Het is een familiezaak, iedereen wordt gemobiliseerd. Haar tienjarige kleindochter Belony treedt op, zingt en danst om geld in te zamelen. Na elke show krijgen toeschouwers een flyer met een foto van Belony in een prinsessenjurk en een lint met de tekst ‘I love Haïti’ in het creools, Frans – de officiële taal van Haïti – en Engels. Veel geld zamelen ze niet in, maar alle beetjes helpen. Mevrouw Frédérique weet: Haïti herstelt zich moeizaam, hoop gloort maar nog zwak. Maar ze laat zich niet ontmoedigen. Ze zet door.

Liza Jansen is freelance journalist in New York.