In een Toepolev-154 waan je je in de Sovjet-Unie

Technici die ineens zenuwachtig naar de staart van het vliegtuig rennen. Vliegen in de Toepolev-154 kan een angstaanjagende ervaring zijn.

Het was weer eens raak. Op 1 januari vloog op de startbaan van het vliegveld van het West-Siberische oliestadje Soergoet een Toepolev uit de 154-serie in brand, toen de grote motor bovenop de staart als een sigaar uit een Kuifje-strip explodeerde. Van de honderdzestien passagiers, zestien bemanningsleden en twee technici aan boord, kwamen er drie om het leven, onder wie een klein kind. Er vielen drieënveertig gewonden.

De Toepolev-154 met zijn drie staartmotoren en vermogen om op onverharde landingsbanen te landen is een terugkerende nachtmerrie voor bijna iedereen die binnen de lidstaten van de voormalige Sovjet-Unie reist. Ook omdat er bijna geen alternatieven zijn. Want de TU-154 is op tal van routes in dat deel van de wereld nog altijd het belangrijkste verkeersvliegtuig. Het type wordt sinds 2005 niet meer gebouwd, maar het spook van de Slavische burgerluchtvaart is daarmee nog niet uit het hemelgewelf is verdwenen.

De TU-154 dateert uit 1968, toen de Sovjet-Unie nog bestond en er in het kader van het socialistisch gelijkheidsideaal zoveel mogelijk mensen voor een zo goedkoop mogelijk ticket moesten worden vervoerd. Drieënveertig jaar later is alleen het ticket duurder geworden. Voor de rest waan je je in een Toepolev-154 – die door de Russen vrijwel alleen nog voor vluchten binnen de oude Sovjet-Unie worden ingezet – nog altijd in die goede oude en vooral armoedige Sovjet-Unie.

De passagiers zitten dicht op elkaar in veel te krappe stoelen met vaak loszittende, scheve rugleuningen. Beenruimte en zitcomfort lijken er begrippen uit een verre toekomst. De raampjes zien eruit als kleine patrijspoorten. Ze tochten meestal, zodat je tijdens de meeste vluchten je bontmuts moet ophouden om geen kou te vatten. En dan is er nog de opvallende esthetica van de cabine, die bekleed is met grauw communistisch formica, dat van ellende nog net niet uit elkaar valt en met enkele spijkers tegen de romp lijkt te zijn getimmerd.

Ruimte voor handbagage is er om een of andere reden amper, zodat voor alle passagiers het gevaar bestaat om bij een landing getroffen te worden door een te grote tas of koffer, die toch langs de incheckbalie is gesmokkeld. Ook hier is het gelijkheidsideaal gehandhaafd.

De nachtmerrie in de TU-154 begint steevast bij het opstijgen. Een zwevende kermisattractie is er niets bij. Nadat het toestel zich ongemerkt heeft losgemaakt van de startbaan, klimt het langzaam omhoog volgens een variatie op de Processie van Echternach: twee stappen omhoog, een stap terug. Bij een onervaren TU-154-passagier leidt dit steevast tot een wanhopig verlangen naar het kotszakje, want menige maag draait zich om tijdens deze opwaartse beweging.

Ook als de TU-154 zich eenmaal op de door de piloot gewenste koers bevindt, is een gaande gemakkelijke beweging niet gegarandeerd. Want als turbulentie zich aandient, herhaalt de Processie zich, maar dan in neergaande beweging, waardoor bij menig passagier het gevoel opkomt dat zijn levenseinde nadert.

Als dan ook nog een technicus zenuwachtig van de cockpit naar de staart begint te rennen, met wat gereedschap in zijn handen, en je daaruit meent te kunnen opmaken dat bij een van de motoren een essentiële moer is losgeraakt, kan je paniek een absoluut hoogtepunt bereiken. Je kunt je dan niet voorstellen dat je ooit nog ergens veilig zult landen.