Het Erasmus MC bedrijft helemaal geen kwakzalverij

Je kunt een medische behandelingsmethode van tevoren al bestempelen als kwakzalverij, maar kijk eerst of het werkt, vinden M.G. Myriam Hunink, Hans J. Duvekot en Ineke van den Berg.

Met belangstelling hebben wij het commentaar gelezen van secretaris Frits van Dam van de Vereniging tegen de Kwakzalverij op de promotie van Ineke van den Berg aan het Erasmus Medisch Centrum (opinie, 29 december). Haar proefschrift ging onder meer over het gebruik van moxa-therapie voor het in de baarmoeder draaien van een baby in stuitligging.

Dit noemt Van Dam „kwakzalverij van de hoogste orde”, met als argument dat het werkingsmechanisme onbekend is. Vervolgens beweert hij dat het literatuuroverzicht en de meta-analyse van Van den Berg niet correct zijn uitgevoerd. Ten slotte uit hij zijn twijfel over de kwaliteit van de promoties aan het Erasmus MC.

Van Dam lijkt als volgt te redeneren: ‘ik begrijp het werkingsmechanisme van de behandeling niet, dus kan het niet werken’. Daarmee wordt alle informatie uit wetenschappelijk onderzoek die op dit gebied wordt verkregen, bestempeld als onzin.

De opstelling van Van Dam komt erop neer dat je een medische behandelingsmethode uitsluitend moet uitproberen, als je van tevoren kunt beredeneren hoe de methode werkt. Dat kan erg nuttig zijn. De valkuil is dat dit standpunt ons afsluit voor andere mogelijkheden dan wat we waarnemen. Dat is jammer.

Wij willen bewijs verkrijgen, pro of contra. Dat geldt bij uitstek voor de complementaire geneeskunde, waar inderdaad kwakzalverij voorkomt. Geen misverstand: ook wij zijn tegen kwakzalverij. Juist daarom doen wij wetenschappelijk onderzoek naar beweringen uit de complementaire geneeskunde. Dat is de enige manier om zin van onzin te kunnen onderscheiden. Hierin volgen wij het voorbeeld van onze collega’s op instituten als Harvard, Karolinska, Mayo Clinic en de University of California. Het is niet noodzakelijk om het veronderstelde werkingsmechanisme voor waar te accepteren, of zelfs maar te kennen, om toch zinvol onderzoek te kunnen doen.

Een wetenschapper dient zo objectief mogelijk de onderzoeksresultaten te bekijken, met een vooraf duidelijk omschreven plan van aanpak en zonder vooringenomen standpunt over wat de resultaten zullen opleveren. Op die manier zijn de systematic review en de meta-analyse in het proefschrift uitgevoerd. Van den Berg heeft zo breed mogelijk gezocht om alle potentieel relevante, gepubliceerde studies te vinden. Een vooraf vastgestelde lijst van in- en uitsluitingscriteria bepaalde of een artikel werd meegenomen in de analyse. Deze criteria waren gebaseerd op studieopzet, behandelingsvorm in de experimentele en controlegroep, hoe de diagnose is gesteld en de gebruikte uitkomstmaat. Of de studie wel of geen effectiviteit liet zien, was geen criterium – ook studies met een negatief resultaat zijn meegenomen.

Van Dam beweert dat het enige degelijke onderzoek „voor het gemak is weggelaten”. Hij verwijst naar de studie van Guittier, eind 2009 gepubliceerd. Onze meta-analyse is begin 2008 gepubliceerd – zegt dat voldoende? Bovendien werd in de studie van Guittier de behandeling later in de zwangerschap toegepast dan in voorgaande studies, wat een mogelijke verklaring is waarom geen effect werd gevonden.

Vijf van de zes artikelen in het proefschrift zijn gepubliceerd in peer-reviewed, internationale, wetenschappelijke tijdschriften. Het zesde artikel is under review. Het proefschrift is positief beoordeeld door de promotiecommissie. Van den Berg heeft het proefschrift verdedigd in een openbare zitting, tegenover een commissie van elf wetenschappers.

Vooralsnog houden wij een open mind, but not so open that the brains fall out.

Prof. dr. M.G. Myriam Hunink is hoogleraar klinische epidemiologie en radiologie aan het Erasmus MC en adjunct professor health decision sciences aan Harvard University. Dr. Hans J. Duvekot is gynaecoloog-perinatoloog en dr. Ineke van den Berg is klinisch epidemioloog, acupuncturist en fysiotherapeut, beiden aan het Erasmus MC.