Een kinderboek moet unieke speelzolder zijn

Een jeugdboekenrecensent krijgt vaak twee vragen:

Waren kinderboeken vroeger beter? Zijn Nederlandse kinderboeken beter dan buitenlandse?

In de ruim zes jaar dat ik over kinderboeken schreef, zijn mij twee vragen vaak gesteld. De eerste vraag komt vaak van ouders en onderwijzers en luidt ongeveer: vroeger had je kinderboekschrijvers als Paul Biegel, Guus Kuijer en Annie M.G. Schmidt; zijn er nog wel van die goede schrijvers voor kinderen? De tweede vraag komt van kinderboekexperts als uitgevers, boekhandelaren en literatuurwetenschappers en is meer een stelling. Nederlandse kinderboeken worden veel vertaald en behoren volgens de beroemde Britse jeugdboekenschrijver Aidan Chambers tot de internationale top. Bent u het daarmee eens?

Hedendaagse auteurs als Peter van Gestel, Benny Lindelauf, Daan Remmerts de Vries en Floortje Zwigtman doen in hun beste boeken niet onder voor hun buitenlandse collega’s. En ook niet voor de boeken van grote Nederlandse voorgangers (van wie de mindere werken zijn vergeten). Het gaat dus goed met het Nederlandse kinderboek, als je het vergelijkt met het klassieke en buitenlandse kinderboek. Maar is het kinderboek zo goed als het zou moeten zijn? Als je de totale jaarlijkse productie van Nederlandstalige prentenboeken, kinderboeken en jeugdboeken bekijkt, luidt het antwoord: nee, helaas niet. Hoe dat komt, vergt enige uitleg.

Een goed kinderboek is niet alleen prachtig geschreven, het is ook echt voor kinderen. Een kinderboek is een universum waarvan de regels worden bepaald door de emoties, de dromen, de verlangens en de opvattingen van kinderen. Het kinderboek moet geen projectie zijn van volwassen ideeën over hoe kinderen zouden moeten leven. Zoals Astrid Lindgren het zei: in kinderboeken mag nooit over de hoofden van de kinderen heen tot de volwassenen worden gesproken.

Echte kinderboeken zijn anti-burgerlijk, constateerde Guus Kuijer terecht in zijn polemische essaybundel Het geminachte kind (1980), een boutade tegen de pogingen van de volwassenen om thuis en op school het kind te herscheppen naar hun eigen beeld. ‘Opvoeden is het kind helpen zichzelf op te heffen en wel zo grondig dat het bij wijze van spreken nooit heeft bestaan’, schreef hij. Burgerlijkheid is de meest verregaande poging om de kinderlijkheid te vermorzelen met de regels van de volwassen wereld.

Een goed kinderboek is een bastion van de kindertijd. Een verborgen schuilplaats van het kind, de papieren versie van de rommelzolder waar kinderen hun fantasiespel uitleven. Het oeuvre van Schmidt met zijn magie van het alledaagse is zo’n speelzolder, net als de sprookjes van Biegel en de subtiele romans van Kuijer, met hun fijngevoelige personages.

En de kinderboeken van nu? Voor de hedendaagse kinderboekschrijvers is het oneindig veel moeilijker om de papieren speelzolder te bouwen dan voor hun voorgangers. In de dertig jaar na de verschijning van Het geminachte kind zijn de volwassenen namelijk met nog grotere passen de kinderwereld binnengedrongen.

Het pedagogisch klimaat met de hang naar collectivisme en toetsen, waarover Kuijer de staf brak, is springlevend. Maar inmiddels staat de kinderwereld ook onder druk van de commercie en web 2.0. Kinderen kopen mobieltjes en gamecomputers en leven hun bestaan goeddeels op sociale netwerken als Facebook en Hyves. De kindertijd wordt zo een voorportaal van de volwassenheid.

De ontwikkelingspsychologie leert dat een kind tot ongeveer zijn achtste leeft in een ‘magische wereld’, waarin fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Tussen zijn achtste en twaalfde groeit het langzaam in de reële wereld, maar het blijft wel een kind – in theorie. Hoe kinderlijk is eigenlijk nog de negenjarige die meeleeft met tv-series over een Amerikaanse highschool vol rimram over ‘daten’ en vakkenpakketten en die tijdens de reclameblokken wordt aangesproken als consument? Het geminachte kind is een verloren kind geworden.

Francine Oomen, de best verkopende kinderboekschrijver van dit moment, lijkt zich hiervan zeer bewust. Haar zeer eigentijdse boeken zijn een echte gids voor het moderne kind en heten dan ook niet voor niets Hoe overleef ik. Oomen probeert haar vele lezers oprecht te helpen, maar met al het ge-msn en gedoe over vriendjes heeft Oomen de wereld van de pubers verplaatst naar de basisschool. Haar boeken zijn geen schuilplaats voor de wereld waarin je veel te vroeg volwassen moet zijn, ze zijn er een uitdrukking van.

Aan de andere kant bieden nogal wat kinderboeken een ontsnapping aan de tijdgeest. Het zijn knotsgezellige boeken over reuzeleuke meesters die alle problemen in de schoolklas in een handomdraai oplossen. De gezellige schoolklas is meer een weckfles vol nostalgie van volwassenen naar lang verdwenen dorpsscholen dan een schuilplaats voor kinderen van nu.

Paul van Loon – jawel, ook een goed verkopende auteur – biedt zo’n schuilplaats. Zeker zijn Dolfje Weerwolfje-boeken, over een jongetje dat op gezette tijden in een weerwolf verandert, beschrijven een parallelle wereld die wordt bewoond door kinderen – en een enkele volwassene. Tegelijkertijd is het de volkomen unieke wereld van Van Loon zelf, een auteur die werkelijk leeft met zijn bijzondere personages en hun avonturen.

Deze eigenheid is de sleutel. Goede kinderboeken moeten voortkomen uit het persoonlijke universum van de schrijver. Dat is altijd zo geweest, maar in de huidige informatieovervloed is het urgenter dan ooit. Een kinderboek kan alleen een speelzolder zijn als het een unieken plek is die nergens anders is te vinden.

Zulke plekken ontstaan alleen als de schrijver met de volle inzet van zichzelf een authentieke wereld voor kinderen schept. Anders gezegd: literatuur voor kinderen schrijft.

Kinderliteratuur bestaat helemaal niet, betoogde Kuijer dertig jaar geleden. Literatuur ontregelt, terwijl kinderboeken geruststellen. Literatuur stelt vragen, terwijl kinderboeken antwoorden geven. ‘Helemaal uitzichtloos kan niet’, zei Kuijer in 2004: ‘Niet voor kinderen. Alles kapot, dat is meer iets voor volwassenen.’ Het zeldzame interview in deze krant ging over Het boek van alle dingen, over de terreur van een godsdienstwaanzinnige vader. Juist dit boek liet zien hoe verontrustend en vragend kinderliteratuur kan zijn.

Dat geldt ook voor De noordenwindheks, dat in hetzelfde jaar verscheen. In dit meesterwerkje van Daan Remmerts de Vries geeft een doodziek meisje zich uiteindelijk over aan de dood. Els Pelgrom liet precies twintig jaar eerder een meisje sterven in Kleine Sofie en Lange Wapper. In de tussenliggende jaren schreef Biegel in Nachtverhaal poëtisch over doodsverlangen. Tanneke Wigersma doorbrak in Mijn laatste dag als genie het laatste taboe met een uitvoerig geplande zelfmoord door een puber.

De dood illustreert dat de kinder- en jeugdboeken een volwaardig literair genre zijn geworden. Sinds Kleine Sofie en Lange Wapper in 1985 de Gouden Griffel kreeg, worden kinderboeken door jury’s en recensenten als literatuur gewogen. Onafzienbaar is de rij ‘literaire’ kinderboeken die in de 25 jaar daarna is verschenen. Daarvan vormen vele geweldige schuilplaatsen van de kinderlijkheid.

Helaas wordt tegelijkertijd het authentieke kinderboek weggedrukt door de bestsellers. Schrijvers en uitgevers kunnen nauwelijks leven van kinderboeken, die zelfs in een oplage van 3.000 stuks vaak niet uitverkocht raken. Voorin kinderboeken staat dan ook geregeld dat ze zijn gefinancierd met werkbeurzen. Schrijver Sjoerd Kuyper klaagde vorig jaar dan ook zijn nood in een geruchtmakende Annie M.G. Schmidt-lezing. Toch zouden de schrijvers ook eens naar zichzelf moeten kijken, want veel van hun boeken zijn nogal gemakzuchtig gemaakt. Technisch rammelt het nogal eens: veel te lange dialogen, een falende suspension of disbelief in fantasyboeken en een onhandige introductie van personages. Mirjam Mous en Anna Woltz bijvoorbeeld zijn goed in het verzinnen van pakkende plots.

Veel boeken zijn inhoudelijk vaak ook niet zo verrassend. Veel romantiek tussen jongens en meisjes (invloed van de highschoolseries?), weinig spanningen tussen broers en/of zussen. Veel personages leven in een middenklassemilieu, weinig in een white trash-omgeving. Veel verhalen spelen op en rond school, weinige op straat, in weilanden, op zolders, aan dijken, in de gevangenis of in welke arena ook. Gelukkig slaagt menigeen er wél in om een origineel boek af te leveren. Laten we díé boeken kopen zonder te kijken naar vroeger of het buitenland. Een kinderboek – doorgaans met prachtige illustraties – kost gemiddeld 13,50 euro. En dat is een heel redelijke entreeprijs voor een speelzolder die je net zo vaak kunt bezoeken als je zelf wilt.