Afrikaners gaan met de caravan op Grote Trek

Ze hebben pas honderdvijftig kilometer gereden, maar de familie Pistorius uit Pretoria draait voor een eerste pauze nu al het parkeerterrein van benzinestation Kroonvaal op. „Even de verbindingen nakijken”, legt vader André uit. Hij kruipt onder de metalen balk waarmee een forse crèmekleurige caravan aan zijn terreinauto zit vastgehaakt en begint hard aan een paar draden te trekken. De kinderen liggen op de achterbank te slapen, mevrouw Pistorius gaat in de rij staan bij het drukke toiletblok.

Het is hartje zomer in Zuid-Afrika. Na de eindexamens is de grote schoolvakantie begonnen en inmiddels zijn ook bijna alle bedrijven dicht. De komende weken is het nagenoeg onmogelijk een klusjesman te vinden, je haar te laten knippen of een overheidsbeambte aan de telefoon te krijgen. Zuid-Afrika is wegens vakantie gesloten.

De uittocht loopt van half december tot half januari. Miljoenen zwarte Zuid-Afrikanen reizen van Johannesburg en Pretoria, waar hun werk is, naar familie op het platteland. Rijke, witte Zuid-Afrikanen brengen hun zomervakantie door aan de kust bij Durban of Kaapstad. In die laatste groep onverminderd populair: de caravan.

„Meteen toen we kinderen kregen, kochten we een woonwa”, zegt André Pistorius vanonder de metalen balk. „Je wil toch met vakantie. Die twee kinderen kosten al zo veel.”

In Europa heeft Nederland het hoogste aantal caravans per hoofd van de bevolking. In Zuid-Afrika staan vooral de deels van Nederlanders afstammende Afrikaners bekend om hun liefde voor de caravan. Je vraagt je af of zoiets in de genen zit?

Maken in Europa de Duitsers grapjes over de Nederlandse ‘sleurhutten’ op de Autobahn, in Zuid-Afrika bespotten Engelsen en zwarten de jaarlijks terugkerende Grote Trek van de Afrikaners. De caravan raakt, volgens sommigen, aan het hart van de Afrikaner cultuur: de rijdende vakantiehuisjes zijn niet meer dan een moderne variant op de aloude ossenwagens waarmee de godvrezende pioniers in de negentiende eeuw dit deel van Afrika veroverden.

Bee Wolmarans van Kempton Caravans, een van de grootste caravandealers van het land, kijkt verbaasd. Ze vindt het een impertinente vergelijking. In de sociologie van de caravan is ze niet erg geïnteresseerd. Iedereen mag bij haar kopen, zwart of blank, Engels of Afrikaans. De caravan is al lang geen ideologische keuze meer, benadrukt ze. „Vroeger”, zegt ze, „was een caravan wellicht een soort politiek statement. Maar sinds de jaren negentig is een caravan vooral een statussymbool.”

Haar winkel verkoopt alleen caravans van het Zuid-Afrikaanse merk Jurgens CI, monopolist extraordinaire, die sinds kort ook naar Australië, de Verenigde Staten en Nederland exporteert. Vooral de off-the-road variant doet het tegenwoordig goed. Die zie je niet in Europa: dikke terreinautobanden, speciale ruimte voor extra benzinetanks en spannende uitschuifbare buitenkeukens. „Uitstekende keus als u een tijdje door het Krugerpark wilt trekken”, begint Wolmarans tegen een klant, die vooral oog heeft voor de zomerse jurk van de verkoopster. De vrouw is nogal bloot gekleed. Uit de radio schalt „I’m dreaming of a white Christmas.”

Een nieuwe caravan kost minimaal 15.000 euro, maar in de showroom staan ook exemplaren die twee keer zo duur zijn. „Toegegeven, dat kan niet iedereen betalen”, zegt Wolmarans. De meeste klanten, moet ze uiteindelijk ook erkennen, zijn inderdaad bemiddelde witte Afrikaners.

De belangrijkste caravanspeciaalzaken liggen in Afrikaner epicentra als Roodepoort en Boksburg en het bestuur van de ‘Suid-Afrikaanse Woonwa-assosiasie’ bestaat uit zes dikbuikige mannenbroeders die, getuige de foto in het laatste nummer van caravanmaandblad WegSleep, met hun snorren, archaïsche brillen en clubstropdassen een karikatuur lijken van de mannen die Zuid-Afrika tot het eind van de apartheid in 1994 bestuurden.

Hoeveel caravans er precies in Zuid-Afrika zijn, kan noch de Woonwa-assosiasie, noch de overheid noch monopolist Jurgens (‘The King of the Great Off-Road’) vertellen. Volgens Wolmarans is de markt in elk geval nog lang niet verzadigd. „Het was weer een gekkenhuis”, zegt ze. Ze moet weer terug naar een klant. Maar inmiddels is het wel haar laatste dag, want zelfs de caravanwinkel gaat voor de zomervakantie in Zuid-Afrika drie weken dicht.