Willoos won

Bewust denken raakte in de psychologie uit de mode. Ellen de Bruin

Mensen hoeven niet bewust te beslissen om minder beleefd te zijn dan normaal. Dat doen ze automatisch – als ze net een woordpuzzeltje hebben gemaakt met woorden als onbeleefd en vervelend erin. En wie net een paar minuten lang het gedrag, leven en uiterlijk van een prototypische professor heeft zitten beschrijven, is daarna een stuk beter in het beantwoorden van algemene kennisvragen uit Triviant.

Het zijn onderzoeksresultaten uit de tweede helft van de jaren negentig, van John Bargh (inmiddels werkzaam aan Yale University) en Ap Dijksterhuis (Radboud Universiteit Nijmegen). Ze zorgden ervoor dat veel sociaal psychologen met lichte verbijstering de eenentwintigste eeuw betraden. Dat mensen niet voor alles wat ze doen bewust de beslissing nemen om het te doen, dat wisten deze wetenschappers al wel: blind typen deden ze zelf ook automatisch. Maar dat er zó weinig priming, zoals het heet, voor nodig is om mensen in hun denken en handelen een bepaalde kant op te sturen, en dan ook nog zonder dat die mensen dat zelf in de gaten hebben – dat hadden ze niet verwacht. Wie in die tijd een sociaal-psychologisch congres bezocht, voelde naast opwinding ook ongeloof en protest. Niet voor niets vatte Bargh de stand van zaken in 1999 voor zijn vakgenoten samen in American Psychologist onder de titel The Unbearable Automaticity of Being.

Het was het begin van het decennium van het onbewuste. Waarin priming mainstream werd. Waarin Dijksterhuis aantoonde dat je complexe beslissingen beter aan het onbewuste kunt overlaten, want dat kan beter grote hoeveelheden informatie verwerken. Het zat erin dat mensen ook het bestaan van de vrije wil in twijfel gingen trekken. En inderdaad.

Daniel Wegner (Harvard University), dezelfde man die eind jaren tachtig aantoonde dat mensen die niet aan een witte beer mogen denken, dat beest niet meer uit hun hoofd kunnen krijgen, publiceerde al in 2002 zijn boek The Illusion of Conscious Will. Daarin betoogt hij dat de bewuste wil weliswaar een prettig gevoel is, want een gevoel van controle en van ‘iets teweegbrengen’, maar ook onzin. Hersenactiviteit die met een bepaalde keuze samenhangt, schreef hij, blijkt vaak vooraf te gaan aan de bewuste ervaring van de beslissing – dus als mensen denken dat ze beslissen, hebben hun hersens dat al gedaan. Je kunt mensen dan ook gemakkelijk wijsmaken dat ze met hun ‘vrije wil’ iets in gang hebben gezet wat in werkelijkheid door de onderzoekers is voorgeproduceerd, liet Wegner keer op keer zien. Hij liet zijn proefpersonen ergens aan denken, zorgde er zelf voor dat het gebeurde, en de proefpersonen dachten vervolgens dat zij het hadden gedaan – van het bewegen van een cursor tot het toebrengen van hoofdpijn aan een irritante medemens, via een voodoopoppetje.

Ook de gedachte dat de bewuste vrije wil niet bestaat, wordt steeds populairder onder psychologen. Er is geen specifieke plek in het brein gevonden waar het zou kunnen zetelen. We weten alleen zeker dat we de ervaring van een bewuste wil hebben. Wetenschappelijk gezien knap weinig.

Toch komt er alweer een tegengeluid op. Twee jaar geleden toonden EJ Masicampo en Roy Baumeister (Florida State University) aan dat bewustzijn nodig is om logisch te kunnen redeneren. Dit jaar betoogden ze in Psychological Review dat bewust nadenken cruciaal is voor het ontstaan van cultuur, narratief denken, betekenisgeving en het simuleren van de werkelijkheid – allemaal typisch menselijke verschijnselen.

Wat nu precies de functie is van het bewustzijn en hoe een materieel brein überhaupt in staat is om immateriële ervaringen te veroorzaken – we weten het niet. Maar in elk geval wordt het komende decennium dat van het bewuste denken in de psychologie.