Vissersdorp wil laten zien dat het leven doorgaat

Volendam tien jaar na de brand

In de nacht van 2000 op 2001 kwamen veertien jongens en meisjes om in café ’t Hemeltje. In het dorp is de brand bijna geschiedenis geworden.

Nederland, Volendam, 28-12-2010 Volendam is een dorp gelegen in de gemeente Edam-Volendam. Langs de haven in Volendam. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Volendam, 28-12-2010 Volendam is een dorp gelegen in de gemeente Edam-Volendam. Langs de haven in Volendam. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2010

Lou Snoek (26) heeft geen haar, geen wenkbrauwen, geen wimpers, geen neusvleugels en bijna geen oorschelpen. Van zijn voorhoofd naar zijn hals lopen littekens. Maar zijn tanden, groot en wit, zijn ongeschonden. Tanden verbranden niet zo snel. En zijn handen, zeven jaar geleden nog stijf en stram, zijn weer soepel genoeg om vis mee te kunnen fileren.

Hij stond bij de achterdeur toen in de Nieuwjaarsnacht van 2000 op 2001 even na twaalven brand uitbrak in het Volendamse café ’t Hemeltje. Hij had zo naar buiten kunnen lopen. Maar hij ging de andere kant uit, het vuur in, naar de deur waardoor hij naar binnen was gekomen. Driehonderd andere jongens en meisjes wilden ook door die deur.

Zijn mond, luchtpijp en longen waren voor dertig procent verbrand, zijn huid voor bijna zeventig procent. Drie maanden lag hij in een Brussels ziekenhuis, zes weken werd hij in coma gehouden. Toen hij wakker werd, kon hij niet meer lopen. Maar hij kon wel lachen, toen zijn zwagers vroegen of hij niet de gordijnen in zou vliegen als ze hem alleen lieten.

In januari 2004 vertelde hij dat zijn vader na de brand hun visbedrijf verkocht had aan de Volendamse broers Carlo en René Mooijer. Lou Snoek zou het bedrijf toch nooit meer kunnen overnemen. Hij had besloten in Amsterdam naar school te gaan. Hij zou sociaal-maatschappelijk werker worden.

Wat een vergissing. Hij kwam er al snel achter hoe anders hij was. Niet door de brand, niet door zijn littekens, maar door zijn Volendamse afkomst. Zat er weer eens een klasgenoot eindeloos over zichzelf te zeveren. Dacht hij: man als je dat zo voelt, dóé er dan wat aan. Toen kwam hij op de visbeurs in Brussel Carlo Mooijer tegen, een van de twee broers die het bedrijf van zijn vader hadden gekocht. Die zei: „Lou, jongen, voor jou is er bij ons altijd een plek.”

In 2004 dacht Lou Snoek dat het niet meer lang zou duren of hij zou weer hele dagen kunnen werken. En dan zou hij weer helemaal zijn oude zelf zijn. Zijn oude zelf? „Lou die lekker veel uren maakt en op zaterdagavond in het café kan zeggen: dit heb ik deze week verdiend.” Lou die verkering heeft met een Volendams meisje en trouwplannen maakt.

Nu, tien jaar na de brand, heeft Lou Snoek verkering met een Volendams meisje en maakt hij trouwplannen. Hij werkt zo hard dat hij bijna geen tijd heeft om te praten. December is een drukke tijd in de visindustrie. Het visbedrijf dat vroeger van zijn vader was – rokerij, vrieshuis en groothandel – heet nog steeds Mooijer-Volendam BV. Maar daarachter staat, na een schuine streep, Lou Snoeks naam – als troost en eerbetoon.

Het mag geweten worden. Zo zeggen Volendammers dat. Het mag geweten worden dat het goed gaat met Lou Snoek. In oktober beklom hij met twee andere zwaar door de brand gehavende Volendammers – Marga Veerman (24) en Tom Kwakman (27) – de Kilimanjaro. Ze deden het om iedereen te laten zien ‘dat het leven doorgaat’. De TROS was erbij.

Vroeger was het storm op de Zuiderzee waardoor jonge mensenlevens werden weggenomen. Die nacht was het een brand waarin er veertien omkwamen. Of zoals Erik Bond (43) zegt: „Het was gewoon een ramp en niemand die er wat aan kon doen.” Diepe rouw en dan de beuk er weer in. Volendammers kennen elkaar en helpen elkaar, ze roemen zichzelf om hun saamhorigheid.

In de onderzoeken naar de cafébrand werd deze ‘Volendamse cultuur’ als belangrijke oorzaak van de brand gezien: Volendammers houden elkaar de hand boven het hoofd en maken hun eigen regels. Maar diezelfde cultuur helpt hen ook om hun ellende te verwerken.

Erik Bond is directeur van het makelaarsbedrijf Hoekstra & Van Eck. In januari 2001, twee weken na de brand, vertelde hij hoe Volendammers elkaar van jongs af gek maken om zo hard mogelijk te werken. „Staat er een te treuzelen bij het visfileren, begint de rest te blèren.” Hij zette zijn handen aan zijn mond en schreeuwde: „Dèèrgaan, dèèrgaan.” Hij vertelde ook hoe Volendammers verkering krijgen. Vanaf hun vijftiende, zestiende gaan ze ieder weekend naar de dijk en, als ze genoeg gedronken hebben, erop af. Vindt een jongen een meisje leuk, (leuk wil zeggen: vrolijk en niet al te knap), dan vraagt hij „ga je mee” en brengt hij haar naar huis. Na drie keer is het verkering en mag hij mee naar binnen.

Erik Bond leerde het meisje met wie hij getrouwd is op zijn twintigste kennen. Ze kochten een huis in een nieuwe wijk, waar ook al zijn vrienden een huis kochten. Ze kregen twee zoons, nu 13 en 11. Zij groeien op zoals heel Volendam opgroeit: tussen kinderen die ze vanaf hun geboorte kennen, met wie ze op school zitten en al hun vrije tijd doorbrengen. ’s Zomers, in de bouwvak, gaat de hele buurt naar een camping bij Salou, in Noord-Spanje.

Het makelaarsbedrijf van Erik Bond kreeg het door de economische crisis hard te verduren. Van zijn 300 mensen heeft hij er 120 moeten ontslaan. Hij kan zich nog opwinden over alle keren dat hij zich voor de rechtbank moest verdedigen tegen werknemers die de boel liepen te traineren. „Meldden ze zich bij mij ziek en gingen ze zwart werken voor een ander.”

Zelf is hij van de VVD, maar hij snapt waarom veel Volendammers in juni op de PVV stemden: de belofte van daadkracht, van klaplopers aanpakken. Zijn vrienden zitten bijna allemaal in de bouw. Ze hebben last van Polen die onder de prijs werken. Ze proberen de klussen die er nog zijn zo goed mogelijk onder elkaar te verdelen. „Continu bellen ze met elkaar, heb jij nog wat, heb jij nog wat?” Reken maar, zegt Erik Bond, dat er kwaliteit wordt geleverd. „Als jij je werk niet goed doet, dan zie ik jou in het weekend bij het bier.”

Johan Koning (44) is uitvoerder in de bouw, fractievoorzitter van Volendam ’80, vader van twee kinderen en vrijwilliger bij de ijsvereniging. Vorige week, bij het uitzetten van de schaatsbaan, ging hij met zijn tractor door het ijs van de Gouwzee. Hij wist er op tijd af te komen, alleen zijn laarzen waren nat. Maar de tractor verdween onder water, tweeënhalve meter de diepte in.

„En hoe gaat het dan in Volendam”, zegt Johan Koning. „Meteen word ik gebeld door mijn maten. Tractor onder het ijs? Dat kan toch niet moeilijk zijn. We komen je helpen.”

Maar nu de andere kant. Het nieuws over de tractor verscheen op edam.volendam.nl, de dorpswebsite. In de reacties op het bericht werd Johan Koning keihard uitgelachen. Haha, wie gaat er dan ook met een tractor het ijs op. „Allemaal anoniem”, zegt hij. Hij kan er met zijn verstand niet bij dat iemand die voor de gemeenschap zijn leven waagt – „want ik waagde mijn leven” – het zo over zich heen krijgt.

Hij zit in het café van Hotel Spaander op de dijk in Volendam terwijl hij dit vertelt. Daar ziet hij Cees Bont, niet toevallig, want die heeft ook een afspraak met deze krant.

„Cees, man, goed om je te zien. Jij draagt het wel met je mee hè.”

„Dat kun je wel zeggen, Johan. Voor de rest van mijn leven.”

Cees Bont (45) is de voormalige brandpreventieofficier van de gemeente Edam-Volendam. Hij was er als een van de eersten bij toen de brand in ’t Hemeltje uitbrak. Toen tegen de ochtend alle nog levende jongens en meisjes waren afgevoerd, ging hij nog een keer het café in – alleen.

Hij heeft er nog steeds spijt van. Het bloed, de stank, de handafdrukken tegen de muren. Hij liep over jassen en schoenen, over omgevallen barkrukken en gebroken bierglazen. En midden tussen de rotzooi lagen de lichamen van twee jongens die niet meer leefden.

Op 7 januari 2001, een week na de brand, suggereerde burgemeester Frank IJsselmuiden van Edam-Volendam op de televisie dat de brand Cees Bonts schuld was. Hoe kon het dat ’t Hemeltje open mocht zijn terwijl het er zo brandgevaarlijk was? Later, in de onderzoeksrapporten over de brand, werd Cees Bont helemaal vrijgepleit. Hij had vaak genoeg tegen de burgemeester en wethouders gezegd dat de Volendamse cafés zich niet aan de voorschriften hielden. Er was niet naar hem geluisterd. Maar het kwaad was toen al geschied. Cees Bont bleef de zondebok.

Hoe gaat het sindsdien met Cees Bont?

Jarenlang nachtmerries, zegt hij. Het gevoel dat hij kapot is gemaakt.

Maar er gloort hoop voor hem. Twee maanden geleden verscheen in de dorpskrant NIVO een artikel waarin zijn rehabilitatie geëist werd. En nu is er in Volendam een comité opgericht om dat te regelen. „Ik wist van niets”, zegt Cees Bont. „Maar ik ben er heel blij mee.”

De brand in café ’t Hemeltje is al bijna geschiedenis geworden. Niet voor de ouders van de jongens en meisjes die stierven, wel voor de rest van Volendam. Over Jan Veerman, alias Jan Dekker, de eigenaar van café ’t Hemeltje, wordt alleen nog maar gezegd dat hij genoeg geleden heeft: zoiets wens je niemand toe.

Als het dochtertje van Johan Koning vraagt waarom de verkoper in de speelgoedwinkel van Bart Smit een paar vingers mist, zegt hij: „Dat komt door een brand, lang geleden.”

En als ze zou vragen waardoor die brand dan kwam?

„Dan zou ik zeggen dat het gewoon een ramp was. Niemand die er wat aan kon doen.”

Nee, hij zou nooit beginnen over de uitgedroogde kersttakken die boven de bar hingen, de nooduitgang die geblokkeerd was, het veel te grote aantal jongens en meisjes dat binnen was, en dat het allemaal de verantwoordelijkheid van Jan Veerman was. „Je kunt wel blijven wijzen, maar dan maak je de gemeenschap kapot.”