Van het lijden verlost 3

Wetenschapsbijlage, 11 en 18-12

In een reactie op het artikel over de Oostvaardersplassen schrijft voormalig Artis-directeur Maarten Frankenhuis dat ik de aantalsregulatie van grote grazers in de Oostvaardersplassen door de hoeveelheid voedsel niet kan vergelijken met die van wildebeesten in de Serengeti. Volgens hem hebben wildebeesten in de Serengeti in het algemeen weinig te lijden van voedseltekort, omdat ze continu tussen voedselrijke gebieden heen en weer trekken. Aantalsregulerend zou de uitputtende trek zijn en het samendrommen bij het oversteken van rivieren waarbij dieren worden vertrapt, verdrinken of door krokodillen worden gedood. Dat is volstrekt onjuist, bleek op een internationaal minisymposium over de Serengeti op de Rijksuniversiteit Groningen. Ze trekken wel, maar van een voedselrijk naar een voedselarm gebied. Het voedselrijke gebied is waar tijdens de jaarlijkse regentijd gras van een hoge kwaliteit groeit op een bodem van harde vulkanische as waar geen bomen kunnen wortelen. Dat geeft het beeld van een eindeloze grasvlakte vol grazende wildebeesten. Daar worden de kalveren geboren. Na de regentijd komt de jaarlijkse droogte die de wildebeesten dwingt daar te vertrekken, want het gras wordt oneetbaar en drinkwater ontbreekt. Ze trekken naar waar wel drinkwater is, maar het grasland is van een mindere kwaliteit. Dat ligt bovendien verspreid in een bosachtig landschap. Door de trek ontsnappen ze aan de invloed van grote roofdieren als leeuwen met hun weinig mobiele welpen, maar niet aan de beperkte hoeveelheid kwalitatief goed voedsel. Die reguleert hun aantal tot rond 1,2 miljoen. Gewoonlijk sterven jaarlijks 200.000 dieren. Door een uitzonderlijk droogte in 1993 waren dat er 340.000. De ongelukken die Frankenhuis noemt hebben heel weinig effect op de populatie, ook niet het uitzonderlijke voorval in 2007, toen in 3 dagen tijds 10.000 wildebeesten verdronken bij het oversteken van de rivier de Mara. De hoeveelheid en kwaliteit voedsel reguleert ook niet-trekkende grazers van het formaat wildebeest (rond de 120-150 kilo) en groter. Dat gebeurt ook in de Ngorongorokrater die Frankenhuis vergelijkt met de ingerasterde Oostvaardersplassen, omdat de kraterwand de dieren insluit. Volgens hem reguleren in de krater grote predatoren de aantallen dieren. Dat is dus onjuist, evenals zijn bewering dat in de Oostvaardersplassen de grazers in de winter worden doodgehongerd. Vanwege welzijn wordt een dier doodgeschoten als duidelijk is dat het dier het einde van de winter niet kan halen; natuurlijke selectie en natuurlijke regulatie dus. Zo stierf 80 tot 85% van de gestorven dieren. De overige werden niet gevonden en stierven een natuurlijke dood.

Frans Vera

Staatsbosbeheer