Uit de wildernis, nog wel arm

Met steun van westerse organisaties streden de Bosjesmannen tegen gedwongen herhuisvesting.

Ze mogen nu terug naar de natuur, maar velen twijfelen.

„Kijk, een verkeersbord!” De auto stuift met honderd per uur over het zand, maar Smith Moeti hangt achterstevoren in zijn stoel. Hij benoemt ieder spoor van beschaving dat voorbij flitst. „Dat is nou ontwikkeling”, sneert hij richting het stadsmeisje dat een lift vraagt. „Die achterlijke bosjesmannen hebben verkeersborden, is het niet geweldig?”

Links en rechts staan dorre struiken waar verdwaalde koeien nog wat laatste blaadjes uit los grazen. Steenbokken schieten weg, een schildpad neemt de tijd bij het oversteken. Dit is de Kalahari, de onverbiddelijk droge woestenij in het hart van Botswana.

Moeti – 32 jaar, Nike-petje, rood T-shirt en trainingsbroek – groeide hier op, maar studeert tegenwoordig voor een mastersdiploma in de aangeharkte hoofdstad Gaborone. Hij noemt zichzelf bosjesman, met trots, hoewel de term elders in zuidelijk Afrika vaak als grievend wordt gezien. De eerste president van onafhankelijk Botswana, Seretse Khama, doopte hen bureaucratisch ‘Remote Area Dwellers’.

Daarmee zette Khama, vader van de huidige president, de toon voor de jarenlange strijd tussen de op ontwikkeling gebrande overheid en bosjesmannen die, gesteund door rijke internationale organisaties, zich vastklampen aan hun leefgewoonten.

Een deel van Moeti’s familie woont uren verderop in het gehucht Metsiamanong, een van de laatste plaatsen waar de mythische jagers en verzamelaars van de Kalahari stand houden. Het gebied maakt sinds 1961 deel uit van het Central Kalahari Game Reserve. Moeti wil na zijn studie terug, maar de regering staat dat officieel niet toe. In wildparken behoren geen mensen met speren te wonen.

„In het park liggen onze voorvaderen begraven”, zegt Moeti. „Het is ons land. Wij hebben daar altijd kunnen samenleven met de dieren en de elementen. Tegen ontwikkeling zijn we niet, zoals de regering beweert. Maar ontwikkelen willen we op onze eigen voorwaarden.”

En vooral: op eigen grond. Moeti dagdroomt over een goed bereikbare safarilodge voor toeristen of een eigen ranch met koeien in het reservaat. Maar zelfs de lagere school in het plaatsje Xade, waar hij leerde lezen en schrijven, is inmiddels niet meer in gebruik.

Na anderhalf uur manoeuvreren door het rulle zand doemt een kale nederzetting op: New Xade. In 1997 verhuisde de regering van Botswana zo’n 1.800 bosjesmannen, onder andere uit het oorspronkelijke Xade, waar Moeti op school zat, naar deze en andere ‘herhuisvestingslocaties’ buiten het reservaat.

De regering bouwde een kliniek, een school en bescheiden huisjes. Hier is stromend water en elektriciteit voor wie het betalen kan. Dit is ontwikkeling, meent de regering.

Maar ontwikkeling is in het onbarmhartige New Xade een statisch gegeven. De enige economische activiteit in het dorp lijkt de nu nog gesloten ‘Coolway Bar’. Mannen staan aan het eind van de ochtend buiten te wachten tot het bier weer vloeit, vrouwen zitten apathisch onder de schaarse bomen die beschutting tegen de zinderende zon bieden.

„In het park”, mijmert Bongaka Tshokodiso, „hadden we altijd te eten.” Tshokodiso („ongeveer 36 jaar oud”) werd in 2002 gedwongen het natuurreservaat te verlaten. Ze wil best terug, zegt ze, wijzend in oostelijke richting. „Maar dáár is geen school voor mijn kinderen, dáár kan ik geen aidsremmers krijgen.” Ze is „gegijzeld”, ronkt Moeti, de activist. „Alcohol, drugs en aids is alles wat de beschaving ons in New Xade heeft gebracht.”

In 2002 spanden bijna tweehonderd bosjesmannen een procedure aan tegen de staat. Ze wilden terug naar hun geboortegrond en kregen in 2006 gelijk van het Hooggerechtshof.

Sindsdien zit het door de rechter opgelegde onderhandelingsproces muurvast. Bij de opening van een uitbreiding van de grootste diamantmijn van Botswana haalde president Khama Ian Khama deze maand scherp uit naar de buitenlandse hulporganisaties die de bosjesmannen bijstaan bij hun juridische strijd. Terwijl iedereen in Botswana van diamanten en toerisme zou moeten profiteren, zei Khama, wil Survival International Afrikanen graag achterlijk houden omdat dat past „bij hun racistische idee van mensen in Afrika die een primitief leven van ontberingen leiden naast wilde dieren”.

Het leven in de Kalahari is generatieslang geromantiseerd, beaamt historicus en overheidsvoorlichter Dr. Jeffress Ramsay. Met zijn invloedrijke boek The Lost World of the Kalahari (1958) stelde de Zuid-Afrikaanse ontdekkingsreiziger Laurens van der Post de bosjesmannen voor als nobele wilden die met hun primitieve levensstijl de „verloren ziel van de mensheid” belichaamden.

„Maar met dit soort leugens kunnen wij ons land niet ontwikkelen”, zegt Ramsay, docerend voor een koloniale etnologische landkaart van Botswana. „Al vele honderden jaren hebben deze mensen contact met de buitenwereld. Ze hielpen met de commerciële jacht in de jaren twintig en werkten in de mijnen in Zuid-Afrika om geld te verdienen. Het ware verhaal van die laatste mannen en vrouwen in de Kalahari gaat over niets anders dan diepe armoede.

Dat kan zo zijn, maar in herhuisvestingslocaties als New Xade is het leven niet veel beter, zegt schrijver en kunstenaar Kuela Kiema. Kiema beheert een museumpje in een comfortabel stadje even buiten het reservaat. Vrijwillig verliet hij in 1997 het park en spoorde zijn naasten aan hetzelfde te doen. Maar daar heeft hij nu spijt van, schrijft hij in zijn indrukwekkende memoires.

„Al betekent dat niet dat ik persoonlijk nog terug wil”, zegt hij starend naar het scherm van zijn laptop. „Wie zoals ik een universitaire opleiding gevolgd heeft en eenmaal aan de moderne tijd heeft geroken, gaat zich niet meer in de bush vestigen.”