Twee engelen knielen in een schedelpan

De bezoeker van de expositie Tussen hemel en hel raakt doordrongen van zijn sterfelijkheid. Middeleeuwers gingen anders met de dood om dan wij. De dood was zichtbaar en werd minder weggestopt.

Wat ziet een mensenschedel er toch klein en kwetsbaar uit. Zeker als hij duizenden jaren oud is, een beetje gehavend en getooid met een half weggezakt zilveren diadeem. Dit was ooit iemand van aanzien, dat zie je. Maar verder kun je alleen maar raden. Had hij een gelukkig leven? En met wie? Had hij een gelukkige dood – als er al zoiets bestaat. Zo’n teer doodshoofd confronteert je met je eigen sterfelijkheid: als koningen het al niet kunnen voorkomen.

De ontroerende schedel, gevonden in Zuidoost-Spanje, is het begin van de expositie Tussen hemel en hel, sterven in de Middeleeuwen, in het Jubelparkmuseum in Brussel. De tentoonstelling behandelt de manier waarop middeleeuwers omgingen met de dood. Dat wordt zeer aanschouwelijk verteld, aan de hand van zo’n 250 voorwerpen – dagelijkse, zoals bekers en schalen, of juist bestemd voor begrafenisrituelen, zoals lijkwaden, vergulde potjes voor heilige zalfolie en een geëmailleerde hostiedoosje (pyxis) uit Limoges.

Uit die voorwerpen blijkt dat middeleeuwers anders omgingen met de dood dan wij: de dood werd minder weggestopt. Mensen stierven omringd door familie, buren, vrienden, en de priester. Maar vooral in het dagelijks leven was de dood meer aanwezig dan nu: portretten van overledenen op hun doodsbed hingen in huis, zoals die van man en van een vrouw, eind zestiende eeuw gemaakt door de Keulse schilder Barthel Bruyn de Jonge. Hun strakke, smalle gezichten met witte kap zijn getekend door hun doodsstrijd. Op het voeteneinde staat een uitgedoofde kaars. De portretten dienden als herinnering en als troost.

Verrassend veel skeletten zijn te zien op de expositie: van volwassenen, van een meisje, van een dwerg, de voeten van een melaatse, met de tenen omhoog gekruld, onderkaken met cariës en abces, een vervormd dijbeen, een gemummificeerd kinderhandje. En dan zijn er nog de levensecht nagemaakte lijken, zoals het liggende stenen beeld uit de kapel van het Belgische Boussu. Het lichaam ligt er uitgeteerd bij, de ingewanden zijn zichtbaar door de opengebarsten huid, wormen kruipen naar buiten. Houd je einde voor ogen en bereid je zielenheil voor, zegt dit beeld. Maar dat is pas aan het einde van de expositie, als de late middeleeuwers zijn getraumatiseerd door pest, oorlog en hongersnood en de dood zien als iets gruwelijks. Terug naar het begin.

Aan het begin van de Middeleeuwen kregen doden nog grafgiften mee, zoals in de Oudheid. Zo is er de rijke grafinhoud van een Merovingische vrouw uit de zesde eeuw, met prachtige geschenken zoals een ketting van Baltisch amber en fijne oorbellen van goud en glas.

De vroege christenen hielden zich nog niet zo bezig met wat er na de dood kwam. Pas vanaf de twaalfde eeuw werd het concept van hemel, hel en vagevuur – de wachtkamer voor het paradijs – concreter en gingen kunstenaars deze afbeelden. Op het zestiende-eeuwse, niet gesigneerde schilderij ‘Het laatste oordeel’ is tweederde gereserveerd voor de hel, vol monsterlijke gedrochten in de stijl van Jeroen Bosch.

Om in de hemel te komen, moest je in ieder geval gedoopt zijn. Daarom was het ook zo erg als een baby bij of kort na de geboorte stierf. Het kleinste skeletje op de expositie is dat van een pasgeborene. Het is gevonden in een kookpot, en waarschijnlijk begraven net buiten de begraafplaats: omdat het kind niet gedoopt was mocht het niet in gewijde grond begraven worden.

De expositie wil een aantal misverstanden recht zetten. Zo konden middeleeuwers best oud worden, vooral als ze geld hadden. Als ze maar de eerste vijf cruciale levensjaren hadden overleefd en als vrouw het kraambed. Ook waren middeleeuwers schoner dan vaak wordt gedacht. Vanaf de veertiende eeuw waren burgers zelfs obsessief bezig met hygiëne. Ze luchtten hun huizen en hielden ze vrij van stof en insecten. Wassen werd beschouwd als een medicijn. Maar ziekten als de pest wisten ze er niet mee te bestrijden, omdat er geen antibioticum bestond. Om aan te geven hoe de zwarte dood werd verspreid, is een opgezette rat te zien.

De samenstellers van de expositie schuwen bepaald niet expliciet te zijn. Een van de vele skeletten is dat van de graaf van Egmont (1522-1568), dat voor de eerste keer de crypte onder de kerk van Zottegem heeft verlaten. Om te tonen hoe de graaf werd geveld door ‘het zwaard der gerechtigheid’, is een afgietsel van de geraakte, zesde halswervel nog eens apart tentoongesteld en wordt erop gewezen dat zijn schedel is verminkt door de klap op het executieblok. Egmont werd onthoofd op de Grote Markt in Brussel, omdat hij zich verzette tegen de Spaanse koning Philip II. Zijn verzet inspireerde later veel kunstenaars, vooral in de negentiende eeuw. Een voorbeeld is op de expositie te zien: een schilderij met de lijken van de graven van Egmont en Hoorn, met afgesneden hoofd op de kussens.

Dat mensen altijd weer willen versieren, blijkt uit de tentoongestelde houten, zestiende eeuwse melaatsenkleppers, versierd met bloemen. Mooi zijn ook de sobere houtsnijwerken – van de heilige Antonius, uit de kapel van de ‘leprozerie in Namen; van de dood van Maria (dertiende eeuw); en van de heilige Barbara, gedateerd tussen 1500 en 1520. Ze heeft een melkwit poppengezicht, lang blond haar en met een bijbel in de hand leunt ze tegen de toren waarin haar vader haar opsloot omdat ze het christelijk geloof aanhing. De heilige werd aangeroepen tegen de onverwachte dood.

De expositie Tussen hemel en hel en de begeleidende catalogus zijn samengesteld door experts in verschillende disciplines: kunstgeschiedenis, archeologie, sociologie, theologie en zelfs forensische geneeskunde. Helaas komt kunst komt er wat bekaaid af. Er zijn prachtige getijdenboeken, met de dood te paard of een jongen die door de maden wordt aangevreten. Maar als het gaat over de blik die late middeleeuwers hadden op het leven na de dood, hadden er meer schilderijen mogen hangen in de stijl van Jeroen Bosch, of liefst nog van zijn hand.

De vitrine met ‘memento mori’ maakt veel goed. Memento mori (denk eraan te moeten sterven) waren expressieve, soms zelfs choquerende voorwerpen die de gebruiker moesten herinneren dat het aards bestaan maar kort is. Zoals het hangertje in de vorm van een fijn bewerkt mensenschedeltje van geëmailleerd goud, uit de zestiende eeuw. Als het geopend wordt, zie je een lijkkistje dat ook weer open kan, zodat een minuscuul skeletje te zien is. In de schedelpan knielen twee engelen.

Aan het einde van de expositie hangt het wandtapijt ‘De triomf van de faam op de dood’, uit de zestiende eeuw. De Faam, jongste dochter van Jupiter, staat op een praalwagen en blaast de loftrompet over ‘onsterfelijken’ als Cicero, Plato en Karel de Grote. De samenstellers hebben dit tapijt expres aan het slot van de expositie gehangen, om te tonen dat de dood weliswaar onontkoombaar is, maar dat de mens dankzij zijn faam toch kan voortleven. Met deze vorm van onsterfelijkheid geven ze een „hoopvolle boodschap en opbeurend antwoord op het middeleeuws fatalisme”.

Het neemt niet weg dat je als bezoeker een beetje bedrukt de expositie verlaat, doordrongen van je sterfelijkheid. En van de vraag: wat daarna? Op de tentoonstelling zijn aanzienlijk meer helse dan hemelse taferelen te zien. Gelukkig sta je meteen in de solide en monumentale hal van het negentiende-eeuwse museum, met vóór je het Jubelpark, en daarachter het centrum van Brussel. Dat relativeert, of zoals aan het begin van de expositie wordt gesteld: sterven is gewoon ‘één van de meest universele verschijnselen’.

Jubelparkmuseum, Jubelpark 10, Brussel. T/m 24 april, di. tot zo. van 10-17 u. Inl: www.kmkg.be