Talen zonder grenzen

Talen van dezelfde familie kunnen structureel fors van elkaar verschillen, onder meer door contact langs de grenzen van taalgebieden. Berthold van Maris

Wereldkaarten met daarop de grote taalfamilies zijn er al heel lang. Het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie (Leipzig) komt nu met iets nieuws: kaarten waarop te zien is waar in de wereld bepaalde ‘structurele eigenschappen van taal’ zich voordoen. Dat kunnen klankeigenschappen zijn. Bijvoorbeeld: waar zijn de talen met veel verschillende klinkers te vinden, en waar die met maar een paar klinkers? Maar ook zinsbouwprincipes: welke talen hebben vooral uitgangen en welke vooral voorvoegsels? Of in welke talen staat het lijdend voorwerp achter het werkwoord en in welke ervoor?

Het staat allemaal in de 142 kaarten van van de World Atlas of Language Structures, sinds kort online te raadplegen op http://wals.info. Het belangrijkste nieuws dat uit deze atlas oprijst is, volgens de samenstellers, dat de grammaticale eigenschappen van talen maar voor een deel bepaald worden door hun afkomst, dus door de taalfamilie.

Er is bijvoorbeeld een kaart die laat zien waar de toontalen te vinden zijn. De talen die een uitgebreid toonstelsel hebben (zoals het Chinees) vormen twee grote clusters: een in Zuidoost-Azië, en een in West- en Midden-Afrika. Dat komt mooi overeen met een genetische ontdekking uit 2007: er zijn toen twee genen gevonden waarvan de mondiale verspreiding bleek te correleren met de mondiale verspreiding van toon. Waar die genen veel onder de bevolking voorkomen, is de kans op een toontaal blijkbaar veel groter.

AUSTRONESISCH

Het toongebied in Afrika komt min of meer overeen met de familie van de Niger-Congotalen. Maar niet precies. Zo is het op veel kaarten: je ziet er de grote taalfamilies voor een deel in terug: Indo-Europees, Austronesisch, Bantoe. Maar vaak zijn de gebieden waar een bepaalde grammaticale eigenschap voorkomt groter of kleiner dan het gebied van zo’n familie.

Er is bijvoorbeeld een kaart waarop te zien is waar het lijdend voorwerp vóór het werkwoord gezet wordt en waar erachter. Mondiaal tekenen zich grote gebieden af waar ofwel het een ofwel het ander gebeurt. Die gebieden zijn veel groter dan de taalfamilies, die je er wel deels in terugherkent. Alleen in Noord- en Zuid-Amerika is het beeld heel versnipperd, maar dat hoeft niet te verrassen: juist op het Amerikaanse continent lukt het maar niet om de familieverwantschappen vast te stellen tussen alle talen die daar oorspronkelijk gesproken werden.

Volgens de samenstellers van de atlas, onder wie de beroemde taaltypoloog Bernard Comrie, laten de kaarten zien dat overeenkomsten tussen talen niet altijd worden veroorzaakt doordat ze tot dezelfde taalfamilie behoren. Intensief contact met de eromheen liggende talen is een even belangrijke factor. Als die talen van dezelfde familie zijn, wat natuurlijk vaak het geval is, versterkt dat de typerende familie-eigenschappen. Maar als er veel contact is met talen van andere families, bijvoorbeeld aan de randen van het gebied van een taalfamilie, dan kunnen er in zo’n taal allerlei eigenschappen binnendringen die juist niet kenmerkend zijn voor de taalfamilie waartoe die taal behoort.

Het belang van intensief contact tussen talen was al wel bekend en aangetoond voor kleinere regio’s (de Balkan, Midden-Amerika), maar deze kaarten suggereren dat er ook veel grotere gebieden zijn waar dat contact door de eeuwen – of zelfs millennia – heen een rol heeft gespeeld. Zuidoost-Azië bijvoorbeeld, waar vijf verschillende taalfamilies tegen elkaar aan en voor een deel ook door elkaar heen liggen, en elkaar flink hebben beïnvloed. Ook ‘noordelijk Eurazië’ zou zo’n contactgebied kunnen zijn, zeggen de samenstellers.

Mogelijk weerspiegelen de kaarten soms ook heel oude, nog niet opgehelderde familieverbanden. De gebruikelijke methode om taalfamilies vast te stellen – veel voorkomende woorden met elkaar vergelijken – werkt eigenlijk alleen bij vrij jonge taalfamilies, zoals het Indo-Europees.

De kaarten maken korte metten met sommige ideeën over de universele eigenschappen van taal. Er is bijvoorbeeld lang gedacht: in talen waarin het werkwoord achter het lijdend voorwerp staat (waarin men dus zegt ‘Kees koffie drinkt’), komt het bijvoeglijk naamwoord meestal ook ná het zelfstandig naamwoord (‘koffie zwarte’). Maar de betreffende kaartjes op internet laten zien dat er geen correlatie is tussen die twee.

Sommige correlaties blijken wel enigszins te kloppen. Die tussen de plaats van het lijdend voorwerp en de plaats van het voorzetsel bijvoorbeeld. In het Nederlands zeggen we ‘Ik drink koffie’ en ‘Ik ga naar huis’. In een taal waarin men zegt ‘Ik koffie drink’ blijkt de kans tachtig procent te zijn dat het ‘Ik huis-naar ga’ is: geen prepositie (voorzetsel), maar een postpositie (‘nazetsel’).

BUITENBEENTJES

Op de online kaarten is ook goed te zien waarin de Germaanse talen uniek zijn: alleen in die talen krijgt een vraag een andere woordvolgorde dan een bewering. En Europa blijkt zich van de rest van de wereld te onderscheiden door de manier waarop hier betrekkelijke bijzinnen worden gemaakt. Zowel de Indo-Europese talen als de buitenbeentjes (Fins, Hongaars, Ests) doen dat met een betrekkelijk voornaamwoord: ‘de man die op reis ging’. In de rest van de wereld doen ze het anders en zeggen ze bijvoorbeeld: ‘de op reis gegane man’.