Pour la vie

Henk en Marianne: arm in arm liepen ze deze week door de catacomben van Thialf. Man en vrouw verslagen door de erosie van de tijd. Door de wonden van het leven. Oudjes.

Iedereen hield van Marianne Timmer. Omdat ze mooi was, en goed kon schaatsen. Ik heb columnisten gekend die voor haar hun huwelijk wilden opzeggen. Ze zweefde ergens tussen Sylvie en Yolanthe, had met aftrek van de lingerietic ook iets van Inge de Bruijn. Vrouw voor een poster, dat zeker.

Drie keer olympisch goud: dan ben je lid van het pantheon. Toch: de echte hysterie van het volk heeft ze niet gekend. Daar was ze te ontoegankelijk voor, te weinig geoefend in extase. Praten was al moeilijk. Toen ze ook nog verliefd werd op haar Amerikaanse coach gingen in Groningen de deuren van het hart dicht. Respect voor haar magische benen was er nog steeds, maar ze werd niet langer als een wolk door mensenzeeën gedragen. De relatie bleef gereserveerd.

Sportland Nederland is niet erg feminien.

Leontien van Moorsel, Inge de Bruijn, Marianne Timmer… tot ontketende liefde van de massa’s is het zelden gekomen. Niet zoals je dat had met Johan Cruijff en Willem van Hanegem. Of nu met de agrariër Dirk Kuijt. Alleen in Thialf werd het weleens een gekkenhuis als Marianne de schaatsen aanbond.

Folklore van de biertap.

Toch, er is in Nederland één vrouw geweest die na drie olympische medailles werd ingejubeld als was ze Koningin Beatrix. Voor haar liep het hele land uit. Voor haar werden van dolle vreugde in barre koolschuren klompen de lucht in gegooid. Zij leerde haar volk zoenen.

Yvonne van Gennip.

Calgary 1988. Een onverbloemd guitig meisje uit Haarlem schaatst zich de legende in. Bij thuiskomst staan vijftigduizend bewonderaars uitzinnig te juichen op de Grote Markt in Haarlem. Nota bene in het jaar dat het Nederlands elftal Europees kampioen werd. Ik kan mij geen sportvrouw herinneren die intenser geliefd was dan Yvonne van Gennip. Het had ook te maken met onschuld. Blozend en giebelend van de zenuwen op een podium staan – die bestorven nederigheid.

Of was het Hollands provincialisme?

Ze geloofde in God, stemde CDA, had geen voorhuwelijkse betrekkingen. Nog mooier: Willem-Alexander was een beetje verliefd op haar, maar dat zag ze niet. Ze was alleen gefixeerd op ijs. Ik weet nog hoe ze door de bochten ging zonder het voetje op te lichten. Een stroomstoot met ongekende gratie zoefde voorbij.

Charisma op ijzers.

In tegenstelling tot Marianne Timmer schaatste zij niet voor het geld. Zij heeft haar sponsors rijk gemaakt, niet omgekeerd. Ik hoor het de conrector van het Mendelcollege in Haarlem nog zeggen: „Yvonne wil alleen dicht bij God staan.” Pas achteraf bleek dat die god haar eenzaamheid niet zou wegnemen.

Je hoort nog weinig over Yvonne van Gennip. Zo zal het Marianne Timmer ook vergaan. De essentie van heroïek is verraad. Wie spreekt vandaag nog over Kai Reus, over Thomas Dekker, over Hennie Stamsnijder? Alleen de tattoos op de dijen van verdwaalde Zeeuwse meisjes weten nog van hun bestaan. In eindejaarskranten worden ze ook niet meer herinnerd.

Weg, vergeten.

Een paar jaar na haar olympische roes mijmerde Yvonne van Gennip: „Wat koop je ervoor, de beste te zijn?” Ze zei dat ze niet meer herkend wilde worden, niet meer gefocust op haar lichaam wilde zijn. De sport had haar helemaal uitgewoond, toen het eigenlijke leven nog moest beginnen. En voor nazorg van een topsporter zijn geen sponsors.

Niet eens een kapelaan.

Waarom altijd die uitruil van helden? Het spijt mij voor Sven Kramer en Marianne Timmer, maar na Ard Schenk en Yvonne van Gennip hield voor mij het schaatsen op. Ik verdraag hun doublures niet. Zoals Karsten Kroon nooit in de plaats van Rik van Looy zal kunnen treden en Maarten Stekelenburg mij niet kan vervreemden van Lev Yashin.

Mijn wens voor het nieuwe jaar: koester helden voor het leven, lieve lezer. Ruil ze niet in voor de jeunesse dorée. Ga onverminderd lekker slapen met Joop Zoetemelk in gedachten. Of met Jean Nelissen. Of met Marilyn Monroe.

Politici zijn ruilspul, helden niet. Ik heb vrienden die nog iedere dag dromen van Hennie Kuiper in Parijs-Roubaix. Terwijl Hennie in zijn leven als wielrenner nooit tien zinnen achter elkaar heeft gesproken. Maar hij vergat nooit de marteldood te sterven. Eén blik uit die Drentse kop volstaat om gelukkig te zijn.