Over kalkoen, Guinees biggetje en knobbelgans

Sheila Kamerman vraagt zich af wat de oorsprong is van het Engelse woord ‘turkey’ en van de Nederlandse term ‘hoen van Calcutta’ voor kalkoen (NRC Handelsblad, 23 december). De naam kalkoen komt van ‘haan uit Kalicoet’ (het tegenwoordige Calcutta). De heer R. Zanderink, die regelmatig publiceert in Kleindier Magazine, heeft het idee geopperd dat handelaren met opzet een fantasienaam gebruikten om de herkomst voor de concurrentie te verhullen.

Als argument vermeldt Zanderink dat het in die tijd heel gebruikelijk was om verwarring te zaaien over de herkomst van huisdieren. Andere voorbeelden zijn: de Afrikaanse knobbelgans (uit Azië), het Mozambiquehoen (ook uit Azië) het Guinees biggetje (uit Peru), de Berberse (Noord-Afrika), Kaapse (naar Kaap de Goede Hoop) of Manilla-eend (van de Filipijnen) welke afkomstig is uit Zuid-Amerika.

Voor dit idee pleit naar mijn mening ook dat men aanvankelijk alleen hanen importeerde (een goede strategie om een monopolie te behouden). Men spreekt nog steeds wel van ‘kalkoense hanen’, ook als men hennen bedoelt. Er was een decreet van de Spaanse koning (uit 1511) voor nodig om te zorgen dat er ook kalkoenhennen geïmporteerd werden. Ook de bisschop van Valencia vaardigde een bevel uit dat alle schepen uit Midden-Amerika tien kalkoenhennen voor de stad Sevilla moesten meebrengen.

Jeroen van Rooijen,

Pluimveegedragsbioloog, Wageningen